Nieuws uit de Prehistorie en Oudheid

WELKOM OP DEZE CLUB OVER PREHISTORIE EN OUDHEID

Deze club gaat over de cultuur en de geschiedenis van de Oudheid: Egyptenaren, Grieken, Romeinen, Mesopotamiërs, etc... en van de periode voor de Oudheid, die we Pre-historie noemen.

Toetsgif1OX.gifVan Prehistorie tot Middeleeuwen is een heel lange periode. Deze club richt zich vooral op de Romeinse periode van de Oudheid.
Op deze club vind je voornamelijk blog- en nieuwsberichten over tentoonstellingen, boeken, films, nieuwe inzichten, foto's en links over de Oudheid. Aarzel niet om je mening te geven, of om te reageren op blog en forum.
 

De volgende periode op de tijdslijn na de Oudheid, de Middeleeuwen, vind je op de volgende geschiedenisclub: http://kathedralenbouwers.clubs.nl

  • Keizer Augustus in kleur

    Keizer Augustus in …

    Hoe zag een marme…

  • Valentijnsdag kwam in de plaats van Lupercalia

    15.02.2010 | 23:59

    Luperculus.jpg

    In de Romeinse oudheid werd omstreeks deze tijd Lupercalia gevierd, het feest van Lupercus, oorspronkelijk de god van de schaapherders. De priesters droegen geitenhuiden en offerden een geit en een hond in een grot aan de voet van de Palatijnse heuvel, de zogenaamde Lupercal, waarin volgens de Romeinse overlevering Romulus en Remus nog werden gezoogd door de wolvin. De grot is later vermoedelijk ingericht als heiligdom. De restauratie ervan door Augustus wordt vermeld in de Res Gestae divi Augusti. In de Griekse vertaling daarvan uit de oudheid wordt de Lupercal aangeduid als de ‘tempel van Pan’.

    In januari 2007 maakte archeologe Irene Iacopi bekend dat de Lupercal waarschijnlijk was ontdekt door archeologen die bezig waren bij het paleis van Augustus op de Palatijn. Via onderzoek met een fotosonde ontdekten zij een gewelfde ruimte van ongeveer 15 meter diep. Later dat jaar, op 20 november 2007, maakte Francesco Rutelli, de toenmalige Italiaanse minister van cultuur, tijdens een persconferentie meer details van het onderzoek bekend. Ook werden enkele foto’s, gemaakt met de fotosonde, vrijgegeven. Onder de resten van het huis van Augustus op de Palatijn, aan de kant van de heuvel die aan het Circus Maximus grenst, werd een deels natuurlijke, deels kunstmatige grot gevonden. Het gaat om een ronde gewelfde ruimte van ongeveer 9 meter hoog en met een diameter van 7,5 meter. Het gewelf is versierd met figuratieve mozaïeken met steentjes van gekleurd marmer en rijen witte schelpen. In het midden bevindt zich een witte adelaar. De archeologen zijn er vrijwel zeker van dat het om de Lupercal gaat, waarnaar eeuwen werd gezocht.

    Op het Lupercalia-feest renden edelen en magistraten de hele dag naakt door de stad, voor het plezier en voor de sport. Iedereen die ze tegenkwamen kreeg dan een slag van een geitenhoedersstok. Vrouwen liepen soms opzettelijk in de weg om geslagen te worden. Dat zou immers onvruchtbaren vruchtbaar maken, onvruchtbaarheid voorkomen, en zwangere vrouwen helpen bij de bevalling. Bij dit ritueel werden de boze geesten verjaagd en de stad gezuiverd, wat de inwoners gezond zou houden. Lupercalia was echter ook een soort seksloterij. Meisjes schreven hun naam op een tabletje, dat daarna in een kom werd gelegd. Jongens konden vervolgens een lotje trekken en dit gelegenheidskoppel ging vervolgens erotische spelletjes spelen en Lupercalia vieren. Voor de rest van het jaar bleven ze dan sekspartners. Ondermeer de website Witchology.com maakt melding van dit gebruik en stelt dat deze toevallige ontmoetingen soms duurzame relaties opleverden.

    Met de opkomst van het christendom was het echter uit met de pret. Zo'n zondige, geile houdingen kon de paus niet toestaan, en het Lupercalia-feest werd verboden. Omdat een eeuwenlang gebruik niet zomaar verdwijnt, werd de feestperiode vervangen door Sint-Valentijn, de dag waarop de martelaar Valentijn werd herdacht. In Rome zou in de 3de eeuw een priester hebben geleefd, Valentinus. Hij stond bekend om de goede daden die hij deed voor zieken, ouderen en armen. Valentinus genas ondermeer de blinde pleegdochter van Asterius, in die tijd senator in Rome. Asterius was hem hiervoor zo dankbaar dat hij zich bekeerde tot het christendom en al zijn invloed gebruikte om de christelijke gevangenen vrij te laten. Voor keizer Claudius II was dit voldoende reden om op 14 februari 270 priester Valentinus te laten onthoofden. Sommige bronnen zeggen dat Valentinus werd onthoofd omdat hij in het geheim jonge koppeltjes in de echt verbond, tegen de richtlijnen van de keizer in.

    Rond de figuur van San Valentin doen echter meerdere verhalen de ronde. In ieder geval werd Valentinus later heilig verklaard door de kerk en 14 februari werd dus uiteindelijk een kerkelijke feestdag, ter vervanging van de Lupercalia. Het lichaam van Valentinus zou begraven zijn op de heuvel van Terni. Op die plaats werd in de vierde eeuw een kerk gebouwd. De relieken van de heilige bevinden zich in een schrijn. Andere relikwieën van Valentijn bevinden zich in nog andere Italiaanse kerken, waaronder de Maria Assunta di Savona, de San Valentino di Sadali in Sardinië en in de kerk van Vico del Gargano, waar hij wordt vereerd als beschermer van de stad en citrus boomgaarden. Ook in de Basilica di Santa Maria in Cosmedin in Rome bevinden zich resten en zelfs een schedel die wordt toegeschreven aan San Valentino. Het gaat echter om een heilige naamgenoot die niets te maken heeft met de oorspronkelijke Valentinus.

    Met de komst van Valentijn verdween de oorspronkelijke link met vruchtbaarheid en seks, de link met romantiek zou pas ontstaan in de 14de eeuw. Met name in Engeland werd het feest in de daaropvolgende eeuwen goed gevierd. Het was in die tijd ongebruikelijk om openlijk je liefde aan iemand te tonen, maar op 14 februari werd hierop een uitzondering gemaakt. Iedereen kon dan zijn geliefde ongestraft verrassen met een een geschenkje of een (liefdes)brief. Engelse emigranten hebben Valentijnsdag later geïntroduceerd in Amerika. In de Verenigde Staten is de traditie opgepikt door het commerciële circuit. En nog later is het vanuit dit continent in veel Europese landen opnieuw een populair feest geworden.

  • 50 Misvattingen over de Oudheid

    14.02.2010 | 22:10

    1001004006866125.jpg

    Nee, de afstand van Marathon naar Athene bedraagt geen 42 kilometer. Het is onmogelijk dat Cleopatra door een adder is gedood. De held Ambiorix heeft allicht wel bestaan maar woonde zeker niet in Tongeren. Het zijn slechts enkele zogenaamde feiten uit de oudheid die door auteur Jona Lendering in het boek 'Spijkers op laag water' worden ontkracht. Jona Lendering is de beheerder van de geschiedeniswebsite www.livius.org. Dat zorgt voor aardig wat correspondentie: soms van mensen die hem verbeteren, soms van mensen die hem een vraag stellen. Zo ontdekte Lendering welke misverstanden over de oude wereld het meest leven. In een boekje, gebaseerd op die correspondentie, zet hij er een aantal recht, vertelt hij waarom veel zaken ingewikkelder zijn dan ze lijken, erkent hij dat we dingen vaak minder goed weten dan we denken en legt hij uit waarom de Oudheidkunde zo veel misverstanden aantrekt.

    De adder van Cleopatra. Door de veroveringen van Pompeius en Caesar werd de mediterrane wereld verenigd. Alleen het schatrijke Egypte was nog niet geannexeerd. Dat kwam enerzijds doordat de Romeinse senatoren elkaar de aantrekkelijke prijs niet gunden, en anderzijds doordat koningin Cleopatra VII erin slaagde een van Julius Caesars adjudanten, Marcus Antonius, aan zich te binden. Dat gaf haar invloed op het Romeinse beleid, maar betekende ook dat ze werd meegesleept in het conflict tussen haar man en Octavianus, de latere keizer Augustus. De burgeroorlog werd gewonnen door de laatste, die, zoals gezegd, het keizerrijk stichtte.

    In talloze kunstwerken – schilderijen, beeldhouwwerken, opera, film – is te zien hoe Cleopatra, toen haar duidelijk werd dat Marcus Antonius haar niet kon beschermen, tegelijk met twee slaven zelfmoord pleegde. De koningin liet een gifslang in een mand vijgen haar vertrekken binnensmokkelen en liet zich bijten door het dier. Dit verhaal is gebaseerd op een opmerking van Ploutarchos, die ruim een eeuw na de gebeurtenissen leefde: "Men zegt dat de adder in een mand met vijgen werd binnengebracht, verborgen onder de bladeren. Zo zou Cleopatra het bevolen hebben, omdat het dier haar dan ongemerkt kon bijten. Maar toen ze enkele vijgen wegnam en hem zag, zou ze gezegd hebben: ‘Kijk, daar is hij’, waarna ze haar arm ontblootte en voor de beet uitstak".

    Zo geformuleerd kan deze theatrale scène niet waar zijn. Adderbeten zijn immers niet dodelijk, en bovendien komen deze slangen in Egypte niet voor. Er is wel geopperd dat het in feite zou gaan om een cobra, maar hoe dit dier, dat maar één keer kan bijten en vervolgens een paar uur nodig heeft om gif te produceren voor een volgende dodelijke beet, in korte tijd drie vrouwen kan hebben gedood, is een raadsel. En voor drie cobra’s is een vijgenmand bovendien te klein. Een oplossing dient zich niet zo snel aan, maar het is niet ondenkbaar dat Cleopatra door een Romeinse soldaat uit de weg is geruimd, louter om te verhinderen dat Octavianus een vrouw aan zijn zegekar zou moeten binden, wat alles behalve eervol zou zijn.

    De weg van Bavay naar Keulen heette Via Belgica. De romanisering van de Lage Landen hield ook in dat er wegen werden aangelegd. De Romeinen betoonden zich daarin nogal traditioneel. De belangrijkste weg was althans al eeuwenoud toen ze hem in gebruik namen. Al in de Bronstijd reisden mensen vanuit het huidige Amiens naar Bavay, Tongeren en Keulen. Die steden waren er toen vanzelfsprekend nog niet, maar het bestaan van een weg kan worden afgeleid uit het feit dat er grafheuvels uit de Brons- en IJzertijd liggen, parallel aan het tracé van de Romeinse straat. Caesar rukte hierover in 57 v. Chr. op tegen de Nerviërs, het Veertiende Legioen Gemina gebruikte de weg in 70 n. Chr. om een grote opstand neer te slaan, en duizenden kooplieden benutten de straat om graan te brengen naar de Rijnlegers. Dit was de hoofdverkeersader van de Romeinse provincie Gallia Belgica, van letterlijk vitaal belang voor de duizenden legionairs die het imperium beschermden tegen aanvallen uit het Overrijnse.

    Sinds mensenheugenis wordt de route in Noord-Frankrijk en Wallonië aangeduid als Chaussée Brunehaut (naar een Frankische koningin die de straat in de Vroege Middeleeuwen zou hebben laten repareren) en in Duitsland spreekt men wel van de Agrippa-Straße, naar de Romeinse generaal die vermoedelijk bevel heeft gegeven de weg te plaveien. In Nederland en Vlaanderen kennen we geen naam die werkelijk ingeburgerd is geraakt. Een in 1987 gehouden tentoonstelling heette gewoon ‘Langs de weg’.

    De laatste jaren duikt steeds vaker de naam Via Belgica op. Het is Latijn en ook wie niets van de Oudheid weet begrijpt wel dat het gaat om een straat uit de Romeinse tijd. Het is alleen jammer dat geen Romein die naam zou hebben begrepen. Wegen werden meestal vernoemd naar de mannen die ze aanlegden: de Via Appia door Appius Claudius Caecus, de Via Domitia door Gnaeus Domitius Ahenobarbus, de Strata Diocletiana door keizer Diocletianus. Andere straatnamen gaven aan waarheen een weg liep: de Via Tiburtina verbond Rome met Tibur en de Via Portuensis leidde naar de haven (portus). Een Via Belgica zou dus naar het noorden van Gallië hebben geleid.

    www.radio1.be/programmas/mezzo/50-misverstanden-over-oudheid


    Spijkers
    op Laag Water. 50 Misvattingen over de Oudheid
    Auteur: Jona Lendering
    Uitgeverij Athenaeum­ Polak & Van Gennep, Amsterdam
    ISBN: 978 90 253 6712 1
    Aantal pagina's: 94 bladzijden
    Prijs: 14,95 euro

  • De klassieke traditie in de Lage Landen

    21.12.2009 | 13:55

    De klassieke traditie in de Lage Landen, René VeenmanIn 1575 werd de universiteit van Leiden ingewijd. De openingsplechtigheid, waarbij een lange stoet door de stad trok, was een manifestatie van de klassieke cultuur.

    In de stoet reden vier zinnebeeldige dames mee: de Heilige Schrift, Justitia, Medicina en Minerva, die de faculteiten vertegenwoordigden: theologie, rechten, medicijnen en letteren. Ieder van hen werd geëscorteerd door vier begeleiders. Minerva door Aristoteles, Plato, Cicero en Vergilius. De optocht eindigde bij een schip waarin Apollo en zijn negen muzen zaten. Neptunus stond aan het roer en leidde het gezelschap naar het nieuwe universiteitsgebouw. Zo werd gesymboliseerd dat de klassieke kunst en wetenschap een nieuwe zetel hadden in de Nederlanden.

    De beschrijving van de ceremonie is van de hand van Pieter Bor Christiaensz., die in 1621 zijn Nederlantsche Oorloghen, beroerten, ende Borgerlijcke oneenicheyden publiceerde. Het is één van de vele bronnen die René Veenman in zijn voortreffelijke overzicht van de klassieke traditie in de Lage Landen heeft gebruikt.

    Die klassieke traditie bestond in 1575 al honderden jaren in de Nederlanden. In de literatuur en de wetenschap van de middeleeuwen waren talloze verwijzingen te vinden naar de klassieke cultuur. En daarin is nooit verandering gekomen, hoewel de aard van de ontleningen wel steeds veranderde, van bewondering naar scepsis of spot en dan weer naar kritiekloze imitatie. Evenzeer aan verandering onderhevig waren de voorwerpen van verering, bewondering, verwerping en weerlegging, van navolging en van pogingen het klassieke voorbeeld te overtreffen.

    Radboud van Utrecht

    De Nederlandse dichtkunst begon met bisschop Radboud van Utrecht (870-917), die een Latijns gedicht van 44 regels, 'Over de zwaluw', maakte naar klassiek voorbeeld en met verwijzingen naar de Romeinse dichter Vergilius. Uit inventarislijsten van middeleeuwse kloosters blijkt dat (delen van) werken van Cicero, Persius, Statius, Lucanus, Sallustius, Seneca, Horatius, Ovidius, Juvenalis en Aulus Gellius bekend waren - allen Romeinse auteurs: redenaars, historiografen, dichters en filosofen. In de twaalfde en dertiende eeuw kwam er via de 'Arabische omweg' een schat aan nieuwe kennis en denkbeelden beschikbaar in West-Europa: Arabische vertalingen van Griekse wetenschappelijke werken, vooral van Aristoteles, werden in het Latijn vertaald. Aan de Nederlander Willem van Moerbeke komt de eer toe in de dertiende eeuw alle werken van Aristoteles rechtstreeks uit het Grieks in het Latijn vertaald te hebben.

    De sleutelfiguur voor de klassieke traditie in de Nederlanden was Jacob van Maerlant, die in de dertiende eeuw de verhalen en de kennis uit de oudheid toegankelijk maakte in vele duizenden Nederlandse versregels. Voor de Middeleeuwen geldt dat de geestelijkheid een grondige kennis had van de Latijnse klassieken; dat de adel de oudheid zag als bakermat van de ridderschap en er de stambomen op terugvoerde; dat de burgerij het nakijken had; wonderverhalen en moralistische zouteloosheden waren haar deel.

    Erasmus

    De zestiende eeuw werd in de Nederlanden gedomineerd door de humanist Desiderius Erasmus. De tekstwetenschap nam een hoge vlucht: Erasmus benadrukte de noodzaak bronteksten zo zuiver mogelijk uit te geven, in de eerste plaats de tekst van het Nieuwe Testament, waarvan hij zelf een uitgave verzorgde. In heel Europa gingen geleerden op manuscriptenjacht en de buit overtrof hun stoutste verwachtingen. Vele tot dan toe onbekende Griekse teksten werden haastig in het Latijn vertaald en in druk uitgebracht. Daarnaast schreef Erasmus ook oorspronkelijk werk, waarbij hij zich - niet in zijn nadeel - liet inspireren door zijn favoriete Griekse auteur, Lucianus, met wie hij zijn afkeer deelde van schijnkennis, hypocrisie en bijgeloof. Over deze Griek uit de tweede eeuw merkte Erasmus bewonderend op: ,,hij beroert niets, al is het maar in het voorbijgaan, of hij treft het met zijn scherts''. Zoals Lucianus Lof van de Vlieg schreef, produceerde Erasmus zijn meesterwerk Lof van de Zotheid .

    Al in de zestiende eeuw begon men zich in de Nederlanden toe te leggen op het schrijven van literatuur in de eigen taal, waar uit de dichtaders tot dan toe veelal Latijnse poëzie was gevloeid, die bekend staat als Neolatijnse literatuur. De rederijkers namen de taak op zich een Nederlandse poëzie te ontwikkelen die was gebaseerd op klassieke voorbeelden. Een fraai voorbeeld hiervan is Het Bosken , een bundel die Jan van der Noot in 1570 publiceerde. Ook P.C. Hooft, Daniël Heinsius, Hugo de Groot en Jan van Hout schreven lyriek in het Nederlands. Daarnaast hielden ze zich bezig met het vervaardigen van Latijnse gedichten, waarbij ze zich wel eens te buiten gingen aan grofheden en obsceniteiten, die vrouwen en andere lager geschoolden toch niet konden begrijpen. Plautus, Horatius en vooral Martialis, de kampioensmeerlap van de oudheid, leverden voor deze schalkse werkjes rijke inspiratie.

    Bedenkelijk

    Pas in de gouden eeuw kwamen de Griekse schrijvers aan de beurt: Theocritus en Pindarus werden nagevolgd door Heinsius, Vondel bewerkte Griekse tragedies. De kritiekloze en bijna afgodische verering van de klassieken leidde ertoe, dat kritische geesten als Descartes en Huygens vraagtekens plaatsen bij de suprematie van de klassieke cultuur en wetenschap. Protestantse dichters vonden bovendien dat de klassieke mythologie van een bedenkelijk zedelijk karakter was. Er ontstonden zelfs literaire parodieën op klassieke werken, waarvan die van W.G. van Fockenbroch, een geestverwant, alweer, van Lucianus, de bekendste waren. De twee volgende eeuwen brachten een overvloed aan navolgingen van Horatius, Pindarus en vele anderen van de hand van Poot, Van Effen, Staring, Borger en Bilderdijk. Nogal eens ontaardde dit werk in winderige woordenpraal, naar een typering uit 1843.

    In de negentiende eeuw raakten de Nederlanders steeds meer in de ban van de Grieken: Socrates, Pericles, Thucydides, Homerus en Plato, ze konden rekenen op mateloze bewondering en navolging in ideeën, stijl en levenshouding, vooral bij de Tachtigers: een groep dichters, veelal classici, die luide van zich deden spreken aan het einde van de eeuw. Later voegden zich nog Leopold en Boutens in het koor van classici-dichters.

    Ook van auteurs van na de Tweede Wereldoorlog is het werk veelal doordrenkt van ontleningen aan de klassieke oudheid, zoals Veenman overtuigend laat zien. Van Eyck, Vestdijk, Aafjes, Lucebert, Andreus, Hanlo, Gerhardt en Claus: grote delen van hun werk kunnen niet goed begrepen en gewaardeerd worden zonder kennis van de klassieke literatuur. Zoals Hugo Claus het uitdrukte: ,,Vanzelfsprekend heb ik de meeste Grieken gelezen. Je bent als schrijver geen tak die in de lucht hangt, je bent een boom met droesem en wortel. Je staat toch in een traditie, of je wilt of niet''. Het boek van Veenman toont het gelijk van Claus en van allen die opkomen voor het gymnasiale onderwijs, dat heden ten dage weer opbloeit op scholen waar niet de waan van de onderwijskundige dag regeert.

     

    René Veenman.
    De klassieke traditie in de Lage Landen
    Uitgeverij Vantilt, Nijmegen
    2009, 400 blz. € 24,95

    René Veenman (1962) studeerde Griekse en Latijnse taal en cultuur. Hij werkt als docent in het voortgezet onderwijs en is webmaster van www.oudheid.nl. Over de receptie van de klassieke literatuur in Nederland publiceerde hij in diverse vakbladen.


    Homerus, Vergilius, Sophocles, Ovidius en de vele andere klassieke schrijvers hebben een belangrijk stempel gedrukt op de westerse cultuur. Ze speelden door de eeuwen heen een grote rol in het onderwijs en hun werken verschenen in tal van edities en vertalingen. Maar vooral vormden de klassieke mythen, toneelstukken en gedichten een voorbeeld dat Nederlandse schilders, theatermakers en schrijvers uitdaagde tot navolging. Ook is de invloed van de klassieke schrijvers te traceren in de politieke theorie, de filosofie, ideeëngeschiedenis en massamedia. In De klassieke traditie in de Lage Landen schetst classicus René Veenman een veelomvattend beeld van de receptiegeschiedenis van de klassieken in Nederland en België. Wie een geschiedenis van uitsluitend loftuitingen en bewondering verwacht, komt bedrogen uit; met regelmaat viel de klassieke schrijvers stevige spot en kritiek ten deel. De klassieke traditie in de Lage Landen laat zich, ook zonder klassieke opleiding, lezen als een dwarsdoorsnede van de Nederlandse cultuur van de middeleeuwen tot nu en is tevens goed te gebruiken als naslagwerk.

    fragment: http://www.vantilt.nl/werkbestanden/klassieke%20traditie_fragment.pdf
    leesvoorbeeld in pdf-viewer

    Bron: "Geworteld in klassieke grond"; Klaas Wierenga, Nederlands Dagblad, 18 december 2009, www.nd.nl

  • 'Laat hen drinken, gij zult vasten'

    28.12.2009 | 20:38

    'Oud' en 'nieuw': waar komen ze vandaan? En natuurlijk de mythische herkomst van de oliebol en de appelbeignet. En Augustinus' vermaan: ,,De heidenen mogen zich een roes drinken, u zult vasten''.

    Op oudejaarsavond, om klokslag twaalf, wensen we elkaar weer een gelukkig, gezegend of zalig nieuwjaar, zonder te beseffen dat mensen dit al vierduizend jaar doen. In de goede voornemens blijken we evenmin origineel. Dat gebruik genoot al grote populariteit onder de Babyloniërs. Alleen beloofden zij niet eindelijk eens te stoppen met roken, maar zegden ze toe de geleende ploeg aan de buurman terug te geven.

    Dat staat letterlijk op gevonden kleitabletten. Die laten eveneens zien dat de moderne nieuwjaarsparties in New York, Parijs of Londen verbleken bij die in het oude Babylon. Hetzelfde geldt voor het klassieke Rome. Ook de Grieken konden er wat van. Zij hebben trouwens rond 600 voor Christus het gebruik geïntroduceerd om het nieuwe jaar door een baby -teken van zich steeds vernieuwende vruchtbaarheid- te symboliseren.

    Eeuwenlang vierde men nieuwjaar niet op 1 januari, maar op 23 (Babyloniërs) of 25 maart (Romeinen). Daar kwam pas een eind aan in 153 vóór Christus. Toen verordonneerde de senaat in Rome om nieuwjaar op de eerste januari te laten beginnen. Nieuwjaar was, onder druk van andere feesten, steeds verder verschoven en spoorde niet langer met het begin van het zonnejaar.

    Janus

    Janus

    In de eeuw daarna verwaterde het gebruik, totdat Julius Caesar in 46 v. Chr. ingreep en 1 januari weer als de eerste dag van het jaar vaststelde. Hij verbond nieuwjaar met een feest ter ere van de god Janus, heer van alle begin en bewaker van de poorten naar de hemel en de aarde. Men beeldde hem af met twee gezichten. Het eerste keek terug naar het oude jaar (verleden), het andere blikte naar het nieuwe (toekomst). Het Janusfeest werd aanvankelijk sober gevierd, met het maken van goede voornemens en het geven van geschenken. In Frankrijk is dat nog gebruik.

    Later ontstond het idee dat men zich tijdens de jaarwisseling moest zuiveren van alle kwade krachten uit de achterliggende periode. Daarom gingen veel Romeinen zich bij het Janusfeest en de geleidelijk ermee verbonden saturnalia (een soort carnaval) te buiten aan wilde feesten vol seks en alcohol. Dit bracht christenen in hun begintijd ertoe andere data tot start van het nieuwe jaar te nemen.

    Het Janusfeest bleek echter zo populair dat de kerk in de eerste helft van de vierde eeuw 'om' ging en 1 januari erkende als start van het officiële, profane jaar. Maar in plaats van te feesten, dienden christenen die dag te bidden en te vasten. Want, beval kerkvader Augustinus, ,,zij (de heidenen) mogen elkaar dan nieuwjaarsgeschenken geven, u zult aalmoezen uitdelen; zij mogen uitgelaten liederen zingen, u zult u laten aantrekken door het woord van de Schrift; zij mogen naar het theater ijlen, u naar de kerk; zij mogen zich een roes drinken, u zult vasten''.

    De Concilies van Tours (567) en Toledo (633) schreven voor de eerste drie dagen van het jaar boetediensten en vastenoefeningen voor. Die waren toen in Rome kennelijk al in zwang, getuige een oud misformulier met de tekst: 'Voor het afweren van afgodendienst'.

    Dat de kerk 1 januari als begin van het burgerlijk jaar erkende, wil niet zeggen dat deze datum ook de start vormde van het kerkelijk jaar. Dat begon en begint op de eerste zondag van de advent (voor kerst). Wat 1 januari betreft wisselden de kerkelijke festiviteiten in de loop der tijd nogal. Zo vierde Rome op die dag eerst (zesde tot veertiende eeuw) een Maria-feest. Later liet de westerse kerk dat gebruik vallen en nam het de gewoonte uit Gallië en Spanje over om op 1 januari de 'besnijdenis des Heren' te vieren. Pas in 1969, bij de hervorming van de katholieke kerkelijke agenda, werd het weer een Mariaviering: het hoogfeest van de Heilige Moeder Gods.

    De hele Middeleeuwen door stond de kerk gereserveerd tegenover het profaan vieren van nieuwjaar, uit vrees voor uitspattingen. Daarom werd 1 januari pas sinds de achttiende eeuw in heel West-Europa echt een openbare feestdag.

    Het had trouwens lang geduurd voor alle landen die datum als begin van het nieuwe jaar erkenden. In Frankrijk tot rond 1450, in Engeland en Noord-Amerika tot 1752 en in de republiek Venetië tot 1797.

    De Reformatie nam de reserve van de rk kerk over. Luther moest niets van nieuwjaar hebben. Hij en Calvijn vonden het een kunstmatige viering. Nog lang daarna weigerden in New Engeland (latere VS) de puriteinen 1 januari als vrije dag te accepteren, omdat het volgens hen om een heidens feest ging. In plaats daarvan vierden ze de hele maand januari als 'eerste maand der maanden'. John Wesley, stichter van de kerk der methodisten, decreteerde in 1784 dat de jaarswisseling -'waaknacht'- biddend moest worden doorgebracht. Niks geen champagne drinken en donuts eten.

    Op oudjaar vieren de katholieken het feest van Sint Silvester, paus ten tijde van Constantijn I. 's Avonds, soms ook 's nachts, is er een kerkdienst. In protestantse kring gaat men op oudejaarsavond ook naar de kerk, om er degenen te gedenken die het afgelopen jaar zijn overleden. Dat gebruik lijkt wat weg te ebben. Op nieuwjaarsdag is er dan, net als vroeger bij de katholieken, een dienst ter herdenking van de 'besnijdenis en de naamdag van de Heer'.

    Vrijwel alle volksgebruiken rond oud en nieuw zijn van ver vóór het christendom. We noemden al het nieuwjaar wensen en het maken van goede voornemens. Maar ook de rotjes, de vuurpijlen en de kerstboomverbrandingen hebben een lange geschiedenis. Ze herinneren aan het lawaai dat de Germanen maakten en de vuren die ze aanlegden om de wintergeesten te verdrijven. Het nuttigen van oliebollen en appelflappen is eveneens van zeer oude oorsprong en verwijst naar de heidense offerbroden.

    En de appelbeignet? Die heeft eveneens een mytische oorsprong. De Franken, maar zij niet alleen, geloofden dat alles wat de vorm van een ring had geluk met zich bracht. Om dit te onderstrepen at men aan het eind van het jaar ringvormige lekkernijen. En ze smaken nog steeds.

    Bron: Ton Crijnen; Trouw (www.trouw.nl); 31 december 2002,

  • Laatst toegevoegde video's

  • Laatst toegevoegde foto's

Inloggen

Nog geen lid van Clubs?

  • Statistieken

    calamandja

    Eigenaar: calamandja

    Leden: 97

    Gewijzigd: 20.03.2010

    1 blogbericht

    1 bezoek van een lid

    8 bezoeken van gasten

  • Tutankhamun

    Tutankhamun

    Plaatje uit een n…

  • Laatste blogberichten

    • Romeinse textielarbei…

      20.03.2010 | 19:38

      Dagelijks leven Het alledaagse leven van de gewone Romein, daar wilde archeoloog Miko Flohr meer over weten. Werk is dan een mooie invalshoek, en over het werk van de fullones of vollers, textielbewerkers, was aardig wat materiaal voorhanden. Flohr bestudeerde en integreerde schriftelijke bronnen e…
      Lees meer…

    • Grafkamer Egyptische …

      14.03.2010 | 02:14

      Franse archeologen hebben in de buurt van Caïro het graf gevonden van de Egyptische koningin Behenu die leefde ten tijde van de 6e Dynastie (ca. 2318-2168 v.Chr.).De vondst werd gedaan in de beroemde dodenstad (necropolis) Saqqara, ongeveer dertig kilometer ten zuiden van Caïro. Onder de ruïnes van…
      Lees meer…

    • Het virtuele museum v…

      28.02.2010 | 17:43

      In Herculaneum, nabij Pompeï / Napels, kan je sinds enkele maanden een tijdreis maken in een virtueel museum. Hoe indrukwekkend opgravingen ook kunnen zijn, het is nauwelijks te bevatten hoe zo’n stad of gebouw er in de oudheid hebben uitgezien. Zoals bekend was Herculaneum in 79 n. Chr. één van de…
      Lees meer…

    • De vegetariërs van de…

      20.02.2010 | 14:13

      Archeologen kijken niet alleen naar allerlei oude overblijfselen maar ook naar afval, en afval is vaak tot eten te herleiden. Analyses van pollen, pitten, botten, residu's en kookgerei geven een goed beeld van een oude eetcultuur. Archeologen die de antieke Grieks-Turkse stad Sagalassos uitgraven, …
      Lees meer…

  • Venus-Pan.jpg

    Venus-Pan.jpg

    Venus en Pan

  • Nieuws berichten

    • Iraakse oudheden doen Egypte verbleken

      19.02.2010 | 16:47

      ur.jpgIrak laat zich van een hele andere kant zien. Dit keer geen gevechten, maar prachtige gebouwen uit de oudheid. En het belooft alleen maar beter te worden: volgens archeologen liggen onder het stof nog genoeg prachtige restanten van de stad uit Abrahams tijd: Ur. Wordt dit het nieuwe bedevaartsoord voor geschiedenisliefhebbers?


      Sinds 2005 werken kleine teams aan de opgravingen van Ur. Vanwege de oorlog hebben de archeologische vondsten weliswaar niet de prioriteit die deze zouden moeten hebben. “Zodra de grootschalige opgravingen herstarten zullen tonnen aan oudheden daglicht zien,” merkt Dhaif Moussin, belast met de bescherming van het archeologische gebied, enthousiast op. “Dit gebied zal misschien wel belangrijker worden dan Giza.”

      Schatten
      Het klinkt misschien allemaal wat ambitieus, maar dat is het wellicht niet. In 1900 ontdekte archeoloog Charles Leonard Woolley in hetzelfde gebied zestien tombes van de elite van Ur. In de tombes vond hij grote schatten zoals een gouden dolk, een gouden beeld van een ram in een struikgewas en een gouden hoofdtooi van een koningin. In vergelijking met de schatten van bijvoorbeeld Toetanchamon zijn deze vondsten in de ogen van veel archeologen opzienbarender. Simpelweg omdat ze zo’n 1000 jaar ouder zijn.
      ziggurat.jpg
      Ziggurat
      De meest opvallende archeologische vondst totnogtoe is een prima bewaard gebleven platform met treden. Een ziggurat. Het platform komt uit 3000 voor Christus en maakte ooit deel uit van een tempel. Naar schatting is tot op heden slechts 20 procent van Ur blootgelegd. “Sommige archeologen schatten dat het nog meer dan dertig jaar duurt voordat we de hele stad hebben uitgegraven.” De stad ligt dichtbij de luchtbasis van de Verenigde Staten en net buiten de stad Nasiriyah.

      Abraham
      De stad Ur der Chaldeeën wordt al in de Bijbel genoemd en was één van de grootste steden van de Soemerische beschaving. De stad blijft belangrijk totdat Alexander de Grote deze een paar eeuwen voor Christus verovert. Ur zou onder koning Ur-Nammu het hoogtepunt hebben bereikt. De stad had bestrate wegen, scholen en een fantastische architectuur. Het koninkrijk van de Soemeriërs was goed georganiseerd met een heuse overheid en een serie wetten. Het Soemerische schrift is het oudste schrift dat we kennen. Archeologen hopen dan ook tijdens de opgravingen op teksten te stuiten die meer vertellen over de cultuur en godsdienst van de Soemeriërs.

      ur2.jpg

      Ongeëvenaard

      Als uit archeologisch onderzoek blijkt dat dit ook daadwerkelijk de geboorteplaats van Abraham – een belangrijke geestelijke figuur in zowel het Jodendom, Christendom als de Islam – is dan is de stad en haar overblijfselen per definitie ongeëvenaard. Het is echter de vraag of het ooit zover komt. Op dit moment maakt oorlog en geweld aan alle ambitie een einde. De prioriteit van de overheid ligt niet bij archeologische opgravingen, maar bij het herbouwen van de hoofdstad, het herstellen van de elektriciteit en het rioleringssysteem. Bovendien moeten er scholen worden gebouwd en wegen worden aangelegd.

      Naast Ur heeft de regio naar schatting nog zo’n 47 andere gebieden die van onschatbare archeologische waarde zijn. Of deze schatten ook ooit daadwerkelijk aan het licht komen, is twijfelachtig.

    • Flavius Josephus. Joods geschiedschrijver in het Romeinse Rijk

      24.01.2010 | 17:34

      Flavius Josephus

      De Jood Jozef ben Mattias, die één generatie na Christus en Paulus leefde, was tot in de achttiende eeuw een van de meest vertaalde en gelezen auteurs uit de oudheid, zoals ook blijkt uit het boek van René Veenman (zie hierboven). Maar als u hem kent, dan is het onder zijn Romeinse naam: Flavius Josephus. Die naamsverandering is het gevolg van het dramatische keerpunt in zijn leven. Tijdens de bittere oorlog die de Joden in de jaren 66-70 met de bezettende Romeinse macht uitvochten en die leidde tot de verwoesting van de Tempel, veranderde Josephus van kamp: van een Joodse krijgsheer en vrijheidsstrijder in Judea werd hij in Rome een vertrouweling van de Romeinse machthebbers. Het waarom van zijn ommekeer blijft tot op vandaag een controversiële kwestie, en nog in 1941 werd de "verrader" door Poolse en Franse Joden behoorlijk postuum ter dood veroordeeld.
      In Rome zette Josephus zich aan het schrijven, ter verdediging van zichzelf en van zijn volk. Dat leverde op: een eigentijdse geschiedenis van de Joodse oorlog, een lijvige geschiedenis van het Joodse volk die begint bij Adam en Eva, een autobiografie en een verweerschrift tegen anti-Joodse tendensen bij Grieken en Romeinen. Josephus" oeuvre is een unieke bron voor het Jodendom, en bovenal: deze niet-christelijke tijdgenoot van de vier evangelisten zou Jezus hebben vermeld! Meer moest dat niet zijn om Josephus door de kerk te laten koesteren. Zijn geschriften bleven dan ook integraal bewaard.
      Tessel Jonquière (°1973) promoveerde op Josephus en beschrijft in een wat braaf en academisch geschreven, maar informatief en helder boekje leven en werk van de man. Het gaat hier dus niet over Josephus" voortleven. Voor wie meer wil, zijn er de uitgebreide inleidingen van de professoren Marinus Wes en Fik Meijer in hun vijfdelige Nederlandse vertaling van het Verzameld werk van Josephus. Die is in de jaren 1990 verschenen (Ambo).

      Tessel Jonquière.
      Flavius Josephus. Joods geschiedschrijver in het Romeinse Rijk
      Athenaeum-Polak & Van Gennep,
      159 p., 17,95 euro.


      Bron: patrick jordens; De Morgen (www.demorgen.be)

    • Overzicht van historische powerpoint presentaties

      03.01.2010 | 20:16

      Prehistorie


      Oudheid

    • Archeologen buigen zich over graf van tirannieke Chinese leider

      01.01.2010 | 00:42

      In het Chinese Anyang, in de provincie Henan, is het graf ontdekt van de derde-eeuwse heerser Cao Cao. Zoals wel vaker bij tirannen was het graf geplunderd. "Grafschennis werd traditioneel gezien als het ergste wat een familie kon overkomen, maar wrede heersers ontsnapten zelden aan dat lot", aldus de Chinese kunstexperte Nicole De Bischop.

      Anyang l In Anyang, de stad die in de veertiende eeuw voor Christus de eerste stabiele hoofdstad werd in de Chinese geschiedenis, is het graf ontdekt van Cao Cao, een derde-eeuwse heerser die in de periode net na de val van de Han-dynastie (2de eeuw v. Chr.-2de eeuw na Chr.) het machtigste van de drie koninkrijken bestierde waarin het rijk was uiteengevallen.


      Archeologen zijn verzekerd van de authenticiteit van het graf omdat er ook jaden platen werden gevonden met de inscriptie "heerser Wu van Wei", zoals Cao Cao postuum werd genoemd. Het 740 vierkante meter grote graf bevatte drie schedels, van Cao Cao zelf en van twee vrouwen, wellicht zijn echtgenote en een hofdame. De historicus Wang Liqun zei in een interview met Chinese media dat hij hoopt dat de schedel van Cao aanwijzigingen zal bevatten over de hoofdpijn waaraan hij schijnbaar leed en die er hem volgens de legende toe aanzette om zijn dokters te laten vermoorden, aangezien ze hem niet konden helpen.
      Hoewel de opgraving nu pas wordt gemeld, werd het graf volgens Chinese bronnen vorig jaar al ontdekt door werknemers van een pottenbakkerij die naar klei zochten. Ze meldden de ontdekking evenwel niet. Toen er gegraveerde jaden platen te koop werden aangeboden, kwam de zaak toch aan het licht.

      De archeologen vonden meer dan tweehonderd artefacten in het graf, dat grotendeels was geplunderd. "De eerste plunderingen vonden zeer waarschijnlijk korte tijd na zijn dood plaats, zoals doorgaans gebeurde bij heersers die als tiranniek bekendstonden", zo meent kunsthistorica Nicole De Bischop. Op zich was grafschennis het ergste wat een familie kon overkomen. Traditioneel geloven de Chinezen immers dat de geest van de voorouders moet worden vereerd, zo niet wordt hij kwaadaardig en gaat hij rondzwerven. Die rituele verering moest door de mannelijke erfgenaam worden volbracht, wat meteen ook verklaart waarom het hebben van zonen zo belangrijk was. Het graf werd beschouwd als het huis van de geest, waar hij ook naar terugkeert. Een schending van het graf betekent dus dat men zich de vloek van de zwervende geest op de hals haalt. Daar waren ze in China erg beducht voor, vandaar dat je overal op de daken mythische dieren aantrof, die de zwervende geesten en hun slechte invloed moesten afwenden.
      "Maar in het geval van wreedaardige leiders was het gebruikelijk dat hun vijanden of het gewone volk hun graf schonden. Dat is bijvoorbeeld ook bij de eerste keizer, Qin Shi Huangdi, gebeurd", aldus De Bischop.

      Cao Cao is in China een symbool voor de listige staatsman. Hij dankt zijn beroemdheid vooral aan het feit dat hij een van de hoofdpersonages is in de Roman van de drie koninkrijken, de veertiende-eeuwse roman van Luo Guanzhong die beschouwd wordt als een van de vier grote, klassieke romans. Het boek werd verschillende keren verfilmd en in 1994 ook uitgewerkt tot de duurste historische serie die de Chinese staatstelevisie ooit maakte. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan een remake van die serie, die volgend jaar op antenne gaat. Ook werden tal van videospelletjes ontwikkeld op basis van de roman.

      Door Catherine Vuylsteke; De Morgen.