Cultuur en geschiedenis van de Oudheid

romein.jpg

Deze club gaat over de cultuur en de geschiedenis van de Oudheid: Egyptenaren, Grieken, Romeinen, Mesopotamiërs, etc... en van de periode voor de Oudheid, die we Pre-historie noemen.

Toetsgif1OX.gifVan Prehistorie tot Middeleeuwen is een heel lange periode. Deze club richt zich vooral op de Romeinse periode van de Oudheid.
Op deze club vind je voornamelijk blog- en nieuwsberichten over tentoonstellingen, boeken, films, nieuwe inzichten, foto's en links over de Oudheid. Aarzel niet om je mening te geven, of om te reageren op blog en forum.
 

De volgende periode op de tijdslijn na de Oudheid, de Middeleeuwen, vind je op de volgende geschiedenisclub: http://kathedralenbouwers.clubs.nl


 

  • Expo Nubië, land van de Zwarte Farao’s

    18.12.2018 | 17:32

    Koning Senkamanisken met de dubbele uraeus-slang, die symbool staat voor de heerschappij over Nubië én Egypte  Nubië is de naam die meestal wordt gebruikt voor de antieke culturen van pakweg het huidige Soedan en het zuidelijkste deel van het huidige Egypte. Je zou …
    Lees meer…

  • 3D-reconstructie Caesar

    16.08.2018 | 08:45

      In 2017 kwam schrijver en archeoloog Tom Buijtendorp met het idee om een levensechte gereconstrueerde buste te laten maken van het marmeren portret van Julius Caesar uit de collectie van het Rijksmuseum van Oudheden. Zijn aandacht was op dit portret gevestigd door zijn onderzoek naar Juli…
    Lees meer…

  • Expo Nineveh - RMO Leiden

    27.02.2018 | 16:12

      Oorlog is verwoestend, de Iraakse stad Mosul weet er alles van. Ook het oude Nineveh, vlak bij Mosul, werd niet gespaard – nu niet en in het verleden niet. Een expo in Leiden brengt de magnifieke hoofdstad van het Assyrische rijk weer tot leven.    Door de strijd van IS in…
    Lees meer…

  • Vulkaan werd Cleopatra fataal

    20.10.2017 | 06:29

    Aan het zelfstandige Egyptische rijk kwam geen einde door ingrijpen van de Romeinen – of toch niet alleen. Hongersnood na een vulkaanuitbarsting hielp een handje.     Het was dan toch niet haar neusje dat de wereldgeschiedenis veranderde. De dynastie van de Ptolemee&…
    Lees meer…

Caesar in de Lage Landen
Tom Buijtendorp

De beroemde Romeinse veldheer Julius Caesar trok jarenlang met zijn legers door de Lage Landen. Hij sloeg er kampen op en vocht veldslagen uit in deze regio. Maar wáár hij precies geweest was, bleef lang een mysterie. Tom Buijtendorp werpt in zijn boek meer zicht op de zaak.

De aanwezigheid van Caesar in de Lage Landen was lange tijd in nevelen gehuld, en er is zelfs enige tijd gedacht dat hij nooit verder was gekomen dan het noorden van Frankrijk. Nu blijkt dat Caesar zijn Gallische Oorlog voor een belangrijk deel langs de Rijn en Maas voerde, veel noordelijker dan tot nog toe gedacht werd. Bij de Nederlands-Belgische grens, in de buurt van Maastricht, leed het Romeinse leger zelfs zijn grootste nederlaag.

Buijtendorp onderzocht een veelheid aan bronnen. Hij bekeek gevonden munten en schoenspijkers, recent ontdekte locaties van legerkampen, en brieven die vanuit de Lage Landen werden geschreven door Romeinse officieren. Uit medische gegevens en onderzoek naar dodenmaskers kwamen ook een aantal verrassende inzichten over het uiterlijk van de legerleider. Uit Buijtendorps herberekeningen van Caesars statistieken over troepen en slachtoffers doemen ook de oudste bevolkings- en sterftecijfers van de Lage Landen op. Dat werpt nieuw licht op een legercampagne van ongekende felheid, die ook wel als de eerste gedocumenteerde genocide uit de Europese geschiedenis wordt gezien.

In zijn Gallische oorlog, gevoerd tussen 58 en 50 voor Chr., bracht Caesar uitzonderlijk veel tijd door in het noorden. Al in de eerste regels van zijn oorlogsverslag stelt Caesar dat de noordelijke inwoners van Gallië het moedigst waren van allemaal. Het noordelijk verzet bleef hardnekkig, zodat Caesar er zelfs na zijn vermeende eindoverwinning in Alesia nog een keer moest overwinteren. Pas anderhalf jaar later werden bij de Belgae de laatste gevechten van de Gallische oorlog geleverd. Sinds 2010 zijn op een aantal plaatsen voor het eerst noordelijke Romeinse kampementen uit Caesars tijd opgegraven.

“De noordelijke campagne van Caesar wordt wel als de eerste gedocumenteerde genocide uit de Noord-Europese geschiedenis gepresenteerd, een beeld waar zijn eigen oorlogsverslag sterk aan bijdraagt, en met de geschriften van Julius Caesar begint in feite de geschreven geschiedenis van de Lage Landen”, zo lezen we. ‘Hij had het Nervische volk bijna geheel uitgeroeid, bijna hun naam weggewist’, schrijft Caesar al in 57 voor Chr. Na de slag aan de Sabis vlak bij de Belgische grens. Kort erop bracht hij waarschijnlijk bij het Belgische Thuin, 4000 strijders van de Atuatuken om en liet er naar eigen zeggen de rest van de bevolking, 53.000 mensen, deporteren. Na de Gallische oorlog is nooit meer wat van de Atuatuken vernomen. Twee jaar later doodde hij in de regio naar eigen zeggen 430.000 Germanen die hij deels de Maas in dreef, waarbij hij vrouwen en kinderen niet ontzag. Weer twee jaar later begon hij een vergeldingsoorlog tegen de Eburonen van wie het centrum nabij Maastricht en Tongeren lag. Hij nodigde andere stammen uit hun gebied te plunderen opdat ‘de stam en zijn naam door de invasie van dergelijke massa’s van de aardbodem zou worden weggevaagd’. Zelf zorgde hij dat eventuele overlevenden van honger en gebrek moesten omkomen’.

De logica van de noordelijke troepenbeweging van Caesar laat zich verklaren aan de hand van het in dit boek geïntroduceerde concept van de strategische corridor, een natuurlijke verbindingsroute dwars door de Lage Landen. De successen en buit uit het noorden droegen in belangrijke mate bij aan zijn succesvolle lancering als alleenheerser.

Het jaar 117
Sporen van Trajanus en Hadrianus
in de Lage Landen

Buijtendorp bespreekt achtereenvolgens Caesars teksten uit de Lage Landen, Caesar in Leiden en als geograaf, Caesar als organisator, de strategische corridor door het noorden en de eerste inval in de Lage Landen (voorjaar 57 v. Chr.), de slag aan de Sabis (zomer 57 v. Chr.), de uitschakeling van de Atuatuken (zomer 57 v. Chr.) en de slachtpartij aan de Maas (55 v. Chr.), de uitvalbasis naar de Britten (56-54 v. Chr.) en de hoogteburcht van de Eburonen, de aanloop naar de veldslag (54 v. Chr.) en de smadelijke nederlaag tegen Ambiorix (54 v. Chr.), het kamp van Quintus Cicero (54 v. Chr.), de strijd van Ambiorix tegen Caesar eb Cicero (54 v. Chr.) en de tweede pijnlijke nederlaag voor Caesar (53 v. Chr.), het vierjarig offensief in de Ardennen (54-51 v. Chr.) en het noordelijk slot van de Gallische Oorlog (51-50 v. Chr.). Het nawoord, als bijlage, de Caesarcode en de echte bevolkingscijfers, noten, illustratieverantwoording, literatuur en het dankwoord vervolledigen dit bijzonder interessant boek. Een aanrader.

Tom Buijtendorp (Zaandam, 1962) studeerde bedrijfseconomie en was achtereenvolgens journalist bij NRC Handelsblad en Quote, en strategisch adviseur voor diverse grote bedrijven. Hij promoveerde in 2010 aan de Vrije Universiteit Amsterdam met een proefschrift over de Romeinse nederzetting Forum Hadriani, bij het tegenwoordige Voorburg. Hij publiceert regelmatig over archeologie, historie en bestuur. Een deel van zijn tijd is hij Statenlid voor Noord-Holland. Zijn boek “Het jaar 117”, over de Romeinse keizers Trajanus en Hadrianus in de Lage Landen, ontving lovende recensies.

Tom Buijtendorp - Caesar in de Lage Landen.
De Gallische Oorlog langs Rijn en Maas
384 bladz, geïllustreerd
uitg. Omniboek ISBN 9789401913898

 
Bron: Michel Dutrieue; Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek (stretto.be)

 

De God van Galilea - Bart Ehrman

De Amerikaanse hoogleraar godsdienstwetenschappen Bart D. Ehrman laat in het boek ‘De God van Galilea’ zien hoe dat christendom in de eerste vier eeuwen van onze jaartelling kon gaan domineren. Dat verhaal is en blijft frappant. Hoe konden opvattingen uit Galilea, een achteraf gelegen streekje in Palestina, het machtige Romeinse rijk in enkele eeuwen infiltreren, beïnvloeden en uiteindelijk beheersen? Natuurlijk weten we dat de bekering van keizer Constantijn de Grote in 312 van enorm belang was, maar was deze omslag ook beslissend? Of bespoedigde die bekering slechts de onontkoombare opkomst van het christendom?
 
De rol van Constantijn is maar een van de vele vragen die Ehrman stelt over die snelle groei van het christendom. Veel is natuurlijk bekend : bij zijn dood rond 30 na Christus was het aantal volgelingen van Jezus nog gering. De apostel Paulus zou met zijn rusteloze evangeliseren dat geloof in Jezus verbreiden naar tientallen gemeenschappen. Paulus was ook de eigenlijke schepper van het christelijke geloofsgebouw – God zond zijn zoon om voor de zonden van de mens te lijden en hen door zijn opstanding te verlossen. Paulus sneed bovendien het christendom los van het Jodendom door het geloof in Jezus voor iedereen toegankelijk te maken, Jood of niet-Jood. Na hem zou het geloof onstuitbaar groeien, niet zozeer door massale bekeringen, aldus Ehrman, maar in een langdurig proces van één-op-één gesprekken en contacten, via de netwerken waarin gewone mensen verkeerden. De reactie van de overheid was daarbij meestal tolerant, soms waakzaam en soms uiterst repressief – maar nooit erg consistent – om onder Constantijn om te slaan in bevoordeling. Keizer Theodosius zou in 392 andere godsdiensten verbieden en het christendom tot enige godsdienst uitroepen.
 
Ehrman legt die hele overgang naar het christendom op een aantrekkelijke manier uit, je herkent in hem de leraar die kan uitleggen in een tempo dat net niet te traag is om te ergeren, maar zeker niet zo snel dat je stappen overslaat. Verder valt op dat de Amerikaan wel probeert om waardeoordelen te vermijden, maar daar niet steeds in slaagt. Zo schrijft hij dat ‘de triomf van het christelijk geloof …enorme voordelen’ met zich meebracht. (24) Die voordelen lagen, als ik Ehrman goed lees, uiteindelijk in de nadruk die christenen legden op ethische toepassingen van hun geloofsovertuiging in leefstijl en charitas. Verder zouden zij de heersende hiërarchische ideologie waarin de familieoudste – de dominus – absolute zeggenschap had, inwisselen voor een – in theorie althans – genadiger, meer solidaire en egalitaire opvatting.
 
‘Na-ijverige God’
 
Terug naar die kernvraag: hoe kon het christendom zo succesvol zijn? Misschien wel omdat christenen profiteerden van de principiële openheid van het Romeinse rijk waarin elke God welkom was. Het duurde bovendien lang voor deze nieuwe religie uit het oosten van het rijk begon op te vallen. De eerste 250 jaar was dat nauwelijks het geval: rond 100 waren er zo’n 10.000 christenen, rond het jaar 200 niet meer dan 170.000, op de tientallen miljoenen inwoners van het Rijk een verwaarloosbaar aantal. Zelfs rond het jaar 250 zou hun aantal niet hoger zijn dan zo’n 6 à 700.000. Die groei vond vooral plaats in de dichtbevolkte steden en meer in het Oosten van het rijk dan in het Westen. Maar – en dat is voor Ehrman beslissend – de groei was exponentieel: de groeicijfers van zo’n 30 procent per decennium leidden uiteindelijk – dus na 250 – tot een curve die steil omhoog liep.
 
Ondanks de geringe zichtbaarheid van het begin was het velen duidelijk dat dat christendom zich slecht verdroeg met het bestaande veelgodendom. Die christelijke God was een ‘na-ijverig God’ zoals het Oude Testament dat in wat ouder Nederlands zo mooi formuleerde, je kon er geen tweede God op na houden. Met hun onverbiddelijke nee tegen andere goden kwalificeerden de christen zich voor de Romeinse autoriteiten als ‘atheïsten’, die de wraak van de goden dreigden op te roepen. Immers, Goden waren in het traditionele beeld krachten die je met offers te vriend moest houden. Religie draaide om gunsten ontvangen en straffen voorkomen. Het brengen van offers voor het welzijn van individu en samenleving was daarmee een staatszaak, scheiding van kerk en religie was nog eeuwen lang ondenkbaar.
 
De vervolging van de christenen was bij vlagen stevig, maar viel naar verhouding mee, vertelt Ehrman. De briefwisseling tussen stadhouder Plinius de Jongere en keizer Trajanus uit het jaar 112 is illustratief. De stadhouder vroeg in zijn brief goedkeuring voor een beleidslijn waarbij hij christenen de mogelijkheid bood om aan de strenge straffen te ontsnappen door alsnog aan de goden te offeren. Die lijn kreeg navolging: de autoriteiten probeerden vaak executies te voorkomen en drongen er bij de christenen op aan hun opvattingen te laten varen. Gebeurde dat niet dan trad de staat hard op en volgden martelingen en executies. De standvastigheid van sommige christenen en hun martelarendom zou een grote rol gaan spelen in de propaganda van de christenen. Het bloed van de christenen is (het) zaad (van de kerk), schreef kerkvader Tertullianus in de derde eeuw al in een provocerend betoog. Sla ons, en we zullen des te sneller groeien.
 
Superaanbod
 

Wat maakte die leer nu zo aantrekkelijk? Om dat te snappen, aldus de theoloog, moet je eerst vergelijken. Het vereren van de traditionele goden kwam neer op het brengen van offers, het je houden aan rituelen en het erkennen van die vele Goden waaronder de keizer. Dat was geen kwestie van een diep doorvoeld geloof, maar eerder een reeks leefregels die hielpen om de samenleving en de kosmos in het gareel te houden. Een strakke centrale organisatie ontbrak net als vorming van elkaar ondersteunende gemeenschappen. De vele godsdiensten concurreerden, maar accepteerden elkaar. In het christendom werden de rigide klassenverschillen verzacht door een leer die ervan uitging dat ieder in principe gelijk was in de ogen van God. Die leer kreeg verder de wind in de zeilen door de verhalen over wonderen die weinigen waarnamen maar waaraan velen geloofden, de opofferingsgezindheid van martelaren, en het superaanbod dat het christendom formuleerde. Waar de gewone Goden gunsten verleenden bij leven, daar bood het christendom een eeuwig leven na de dood. Die heilsutopie ging vergezeld met een angstwekkend alternatief: de kerk schetste een afschrikwekkend, sadistisch beeld van de eeuwige straffen die zondaars stonden te wachten. Dat laatste oordeel over de levenden, of de terugkeer van Jezus, was bovendien aanstaande; dan zou God over levenden en doden oordelen. Dus wacht niet, maar bekeert u, nú.
 
Die indringende, dreigende maar ook verleidelijke boodschap zorgde voor een gestage groei, die van exponentiële aard was, aldus Ehrman. Elke bekering was een aanhanger minder voor de traditionele goden, zo lezen we. Zo kon het christendom van een minuscule beweging uitgroeien tot een religie die rond het jaar 250 stevig geworteld was. Toch kan het haast niet anders of er moet een retourroute zijn geweest, een terugkeer van teleurgestelde christenen naar ‘oude’ opvattingen. Het keizerschap van de beroemdste verzaker – de als christen opgevoede keizer Julianus (355) – duurde misschien te kort om veel invloed te hebben. Over terugkeer naar het heidendom lezen we verder weinig in dit boek, eenmaal christen, altijd christen, zo lijkt het. Zou het echt? De verdeeldheid onder christenen in die eerste eeuwen was enorm, de druk op hen bij vlagen gigantisch. Had dat geen gevolgen?
 
Relativering
 
Evenmin slaagt Ehrman er bij deze lezer in om de rol van Constantijn de Grote te relativeren. Diens bekering in 312 maakte een einde aan de heftigste vervolgingen waarvoor velen dreigden te bezwijken en was dus wel degelijk cruciaal. Het christendom werd nu de bevoorrechte groep, voor talloos velen een moment om vermoedelijk ook opportunistische redenen voor de nieuwe leer te kiezen. Voor zo’n heen en weer in de tijd in reactie op gebeurtenissen en beslissingen biedt de verklaring van exponentiële groei te weinig ruimte.
 
Zo blijft de lezer uiteindelijk toch nog wel met vragen zitten. Wie dat wil zou kunnen blijven vasthouden aan het traditionele, kerkelijke beeld dat alleen Goddelijk ingrijpen die groei kon verklaren. Dat zo’n antwoord minstens evenveel nieuwe vragen oproept is duidelijk. Misschien moet de sceptische lezer toegeven dat er in dat christendom ‘iets’ zat dat overtuigingskracht bezat en ondanks soms heftige bestrijding, interne ruzies en misstanden velen overhaalde en beklijfde. Een belofte en dreigement die zo aanspraken dat je de gevaren op de koop toenam, net zo lang tot er geen weg meer terug was en de voor tolerantie pleitende vroege kerk zelf het keizerlijke zwaard opnam om afvalligheid strak en dogmatisch te definiëren – a la onze Bisschop Wim Eijk – en om ongeloof en ongelovigen te bestrijden.
 
Al met al een mooi boek dat goed uitlegt hoe christenen kwamen bovendrijven in het Romeinse rijk.
 
De God van Galilea – Hoe een verboden religie de wereld veroverde
Bart Ehrman
Prijs: € 24.95 - Pagina's: 359

  
Bron: Joost Eskes, Historiek.net

 

Grieken - Philip Matyszak 

Bij uitgeverij Atheneum verscheen het boek "Grieken. Hoe een cultuur zich over de wereld verspreidde". Wat maar weinigen weten is dat de Griekse beschaving zich heeft uitgestrekt rond de Zwarte Zee en in het hele Midden-Oosten, en dat er zelfs Griekse steden waren in de uitlopers van de Himalaya. In dit boek beschrijft Cambridge-docent Philip Matyszak de geschiedenis van de Grieken buiten Griekenland, zoals Sappho van Lesbos, Archimedes uit het Italiaanse Syracuse en Herodotus uit Klein-Azië. 

De Grieken voor de tijd van Alexander

Rond 1200 v.Chr. maakte het antieke Griekenland deel uit van een samenhangend cultuurgebied dat volop in ontwikkeling was en dat zich uitstrekte van Indië tot aan het westelijke Middellandse Zeegebied. Op dit hoogtepunt van de bronstijd liepen er handelsroutes van Brittannië tot ver in Azië. Een Egyptische farao kon begraven worden met om zich heen kruiken uit Mesopotamië, olijfolie uit Cyprus, cederhout uit Libanon en bronzen voorwerpen die tin uit Wales bevatten. Het was de tijd van de Hethieten, de minoïsche stierspringers op Kreta en de ‘paleiscultuur’ van het Myceense Griekenland, een wereld die zou voortleven in de legendes over Hercules en Helena van Troje. Deze wereld was ontwikkeld, verfijnd, welvarend – en ten dode opgeschreven.

Het noodlot dat toesloeg was verschrikkelijk en het is nog steeds onbegrepen. In de jaren tussen 1050 en 1000 v.Chr. werden vrijwel alle steden van enig belang in de antieke wereld geplunderd en verwoest. Zelfs het machtige Egypte, met zijn natuurlijke verdedigingslinies van zee en woestijn, werd op grote schaal belaagd door de Hyksos, de zeevolkeren, en onder die druk verviel het land bijna tot anarchie. De hethietische en de minoïsche beschaving, die niet zulke sterke natuurlijke grenzen hadden, werden van de aardbodem weggevaagd. De handel stortte ineen, bevolkingsaantallen liepen dramatisch terug en in het westelijke Middellandse Zeegebied begon een ‘donkere periode’ die meer dan tweehonderdvijftig jaar geduurd heeft.

Oorzaak van de ineenstorting

De geleerden zijn het er niet over eens wat nu precies de oorzaak van deze ineenstorting was. Er is gedacht aan vulkaanuitbarstingen, en dan met name de grote uitbarsting van de vulkaan Thera (het huidige Santorini), die klimaatveranderingen tot gevolg hadden. De Thera spuwde naar schatting zo’n zestig kubieke kilometer aan puin de atmosfeer in; de invloed die dat op het weer had werd tot in China opgemerkt en vastgelegd. Maar ook invasies door barbaren, heftige epidemieën en een economische crisis zijn wel gesuggereerd als mogelijkheden. En als deze fenomenen niet de oorzaak van de donkere periode waren, dan hebben ze er in elk geval wel aan bijgedragen.

Griekenland met zijn Myceense beschaving werd niet gespaard. In alle steden die daar zijn opgegraven hebben archeologen sporen van verwoesting uit deze periode aangetroffen. Er hebben zich in de laatste decennia van de elfde eeuw v.Chr. de vreselijkste dingen afgespeeld, waaronder brandschatting en plundering. De lijken werden niet begraven maar bleven gewoon op straat liggen. De overlevenden trokken zich terug in afgelegen valleien en in versterkingen boven op heuvels. In de daaropvolgende decennia verleerden de mensen het schrijven, en het economisch verkeer werd gereduceerd tot ruilhandel tussen naburige dorpen.

Dorische invasie

De Griekse bevolking veranderde van samenstelling. In latere Griekse tradities is sprake van de Doriërs, een volk dat zichzelf aanduidde als ‘de zonen van Hercules’ en dat vanuit de Balkan naar het zuiden trok, waarna het het grootste deel van de Peloponnesus in bezit nam. Later identificeerden de Grieken zichzelf ofwel met de oorspronkelijke Ioniërs en Arcadiërs, ofwel met deze binnenvallende Doriërs (vooral de Spartanen zagen zichzelf als Dorisch).

Als gevolg van de Dorische invasie sloegen de oorspronkelijke bewoners van de Peloponnesus op de vlucht. Ze vestigden zich in soms verafgelegen streken en stonden zo aan de wieg van het Griekse rijk dat in de daaropvolgende periode zou opkomen. Althans, zo zagen de oude Grieken dat zelf. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat het plaatje in werkelijkheid een stuk complexer was. Om te beginnen is het niet duidelijk of de Doriërs de oorspronkelijke bevolking hebben verdrongen of zich ermee hebben vermengd. Het kan ook nog zijn dat zijzelf de eerste bewoners van het schiereiland waren. In elk geval is de ineenstorting van de Myceense beschaving niet alleen aan de Doriërs te wijten. Maar in dit boek kijken we niet zozeer naar oorzaken als wel naar gevolgen, en het gevolg van de ineenstorting in de donkere periode was hoe dan ook dat de Griekse beschaving zich verspreidde over het hele Middellandse Zeegebied en daarbuiten.

Griekse koloniën

Toen de nevelen van de donkere periode optrokken en het archaïsche Griekenland zichtbaar werd, woonden er niet alleen Grieken ver buiten hun eigen land, maar de ‘buitenlandse’ steden liepen ook nog eens voorop bij het uitdragen van de Griekse beschaving in de nieuwe tijd. Voor de mensen in de oudheid omvatte ‘Griekenland’ ook delen van Klein-Azië, de eilanden in de Egeïsche Zee, Sicilië en grote delen van Zuid-Italië. Als de belangrijkste delen van de Griekse wereld golden Hellas, het eigenlijke Griekenland; dan Ionië, de Griekse steden op de Egeïsche eilanden en in de kustregio van Klein-Azië; en ten slotte Magna Graecia, dat onder meer Sicilië en het zuiden van Italië omvatte. In totaal waren er honderden Griekse koloniën (de stad Miletus alleen al stichtte er dertig). Van Mainake in het zuiden van het Iberisch schiereiland tot Phasis aan de Zwarte Zeekust van het huidige Georgië, vormden de Griekse kustnederzettingen ‘een Griekse zoom op een barbaarse mantel’ (Cicero, De re publica, 2.9).

Deze steden hadden veel meer gemeenschappelijk dan hun Griekse cultuur. Om te beginnen lagen ze allemaal aan of vlak bij zee. Ook de filosoof Plato had daar een mooi beeld voor: volgens hem waren de Griekse steden rond de Middellandse Zee net ‘kikkers om een vijver’ (Phaedo, 109b). Van Halicarnassus in Klein-Azië tot Syracuse op Sicilië gingen Griekse kolonisten vermoedelijk telkens op dezelfde manier te werk. Eerst zochten ze een eilandje voor de kust, om daar een versterkte basis te vestigen. Vervolgens gingen ze zakendoen met de plaatselijke bevolking en zodra die een beetje aan ze gewend was geraakt, stichtten ze een nederzetting op het vasteland, waarbij de eilandbasis voor de zekerheid aangehouden werd.

Hoe belangrijk deze procedure voor de eerste kolonisten was, blijkt uit het voorbeeld van Chalcedon. Deze stad werd later wel ‘de stad der blinden’ genoemd, omdat de stichters kennelijk niet in de gaten hadden gehad dat er aan de overkant van de Bosporus een veel aantrekkelijker locatie voorhanden was – het latere Constantinopel. Echter, bij Chalcedon had men de beschikking over het schiereiland Kadıköy als ‘basis buitengaats’, en iets dergelijks ontbrak aan de Europese kant van de zeestraat.

Goede band met de stichtersteden

Doorgaans hechtten de koloniën aan een goede band met hun stichterstad (voor Chalcedon was dat bijvoorbeeld Megara). Zo’n band berustte niet alleen op sentiment maar ook op handel. Goederen uit de respectieve achterlanden werden op koopvaardijschepen af- en aangevoerd. De Atheners exporteerden vazen naar Fenicië en importeerden de beroemde paarse kleurstof uit dat land. De Feniciërs op hun beurt verkochten die vazen weer door naar Egypte in ruil voor graan en papyrus. Chinese zijde en slippers uit Perzië, geïmporteerd door de steden in Anatolië, konden in Rhegium geruild worden tegen was, kaas en slaven uit Italië. Tussen Carthago en de Grieken op Sicilië was het niet alleen haat en nijd maar werd er ook gehandeld in ivoor, tin uit Cyprus, of bronzen voorwerpen uit Etrurië.

Handel bracht voorspoed in steden als Korinthe. Die stad had zoveel voordeel van haar ligging op het smalste stuk van de Peloponnesische landengte dat ze vaak werd aangeduid als ‘het welvarende Korinthe’. En in Sybaris in Zuid-Italië ontwikkelde men zo’n luxueuze levensstijl dat zelfs nu nog het woord ‘sybaritisch’ staat voor zelfvoldane decadentie.

Uit de diverse achterlanden kwamen er niet alleen allerlei goederen naar de Griekse wereld maar ook cultuur, ideeën, godsdiensten en filosofieën. Deze stimulerende uitwisseling zorgde in de vijfde eeuw voor een intellectuele revolutie die de wereld tot op de dag van vandaag mede bepaald heeft.

Dit is het oude Griekenland – maar niet zoals wij het kennen. Wat maar weinigen weten is dat de Griekse beschaving zich heeft uitgestrekt rond de Zwarte Zee en in het hele Midden-Oosten, en dat er zelfs Griekse steden waren in de uitlopers van de Himalaya. In dit boek wordt de geschiedenis verteld van de Grieken buiten Griekenland, zoals Sappho van Lesbos, Archimedes uit het Italiaanse Syracuse en Herodotus uit Klein-Azië. En zoals zij waren er veel meer.

Philip Matyszak schrijft over de Griekse soldaten, staatslieden, wetenschappers en filosofen die, hoewel ze zelden of nooit voet hebben gezet op het Griekse vasteland, de fundamenten legden voor de Griekse cultuur. Hij heeft het niet over de Atheense democratie of het Spartaanse militarisme, maar hij geeft ons een frisse kijk op wat het betekende om Griek te zijn door het verhaal te vertellen van de Grieken overzee, van het huidige India tot Spanje.

 

Bron: Philip Matyszak; Historiek.net

Zowat drie eeuwen na de vuurtongen van Pinksteren brak het christendom door in het Romeinse Rijk. Inger Kuin schreef een boeiende synthese van wat religie in de Grieks-Romeinse oudheid betekende. Jona Lendering focust op één keerpunt: het kruisvisioen van keizer Constantijn rond 310.
 

"Leven met de Goden" - Inger Kuin

Wat geloofden Grieken en Romeinen, collectief en individueel? Was het daar ook van ‘God ziet u’? Namen ze mythen over rare goddelijke exploten en orakels voor waar aan? Mogen we spreken van een embedded staatsgodsdienst? Van waar al die (dieren)offers waar het onderzoek lang op focuste? Bestonden er ook mensenoffers? Wat zijn lachrituelen? En waarom geeft de jonge Augustus de dag na een boze droom verstek voor een wereldveldslag? Kon je filosofisch andersdenkend en atheïst zijn in de oudheid? Wat is het correcte verhaal van de concurrentiële nieuwkomer die ‘christendom’ heette en die bijvoorbeeld dierenoffers afzwoer? Quid met het leven na de dood?
 
Laat het duidelijk zijn: Inger Kuin gaat de vele complexe en intrigerende vragen niet uit de weg in haar gebalde synthese van de antieke religie. Dit is – spoiler alert – een van haar kernboodschappen: het verzamelfenomeen religie omvatte bij de Grieken en Romeinen een eindeloze variëteit aan goden, rituelen en ideeën. Jaloersmakend bont. Vol contradicties door wat Paul Veyne ‘de balkanisering’ van ons brein noemde. Met veel intercultureel religieus leentjebuur over en weer. En wezenlijk tolerant. Daarom zijn de zeldzame religieuze aanklachten, zoals tegen Socrates en Christus, zo opmerkelijk.
 
Dat waren dan ook meer politiek geïnspireerde processen. Religie, politiek en identiteitsvorming, ook toen al. En de vervolgingen van christenen hebben alles te maken met Romeinse achterdocht voor de vorming van een parallelle wereld met veelal nachtelijke privésamenkomsten van religieus intolerante mensen met een wervende bekeringsdrang.

Na lectuur heb je het gevoel: ik snap ze, die rare Romeinen en Grieken

Kuin overloopt de uiteenlopende bronnen en geeft een idee van hun mogelijkheden en beperkingen. Zowel de bekende literaire teksten van Homerus, Hesiodus en Vergilius, als ‘volkse’ opschriften en magische vervloekingstabletten passeren de revue. Die bevestigen het feest van veelheid, de competitie en de bizarre tegenstrijdigheden. Zonder heilige boeken en gebetonneerde openbaringen.
Kuin ontkracht oude clichés en versleten denktrants over zogenaamd ‘primitieve’ religies. Of neem de topos dat in de keizertijd het polytheïsme uitgeteld was en klaar om door het monotheïstische christendom te worden vervangen. Het was, zoals dat altijd gaat, veel en veel complexer dan dat. Zoals ook het begrip ‘romanisering’ verkeerde eenrichtingsverwachtingen wekt: altijd en overal was er religieuze wisselwerking, ook in ons noordelijke deel van het Rijk tussen Keltische en Grieks-Romeinse goden.
 
Het is een krachttoer wat Kuin hier na aarzelende beginbladzijden presteert, met een onderwerp waarover niet alleen spreekwoordelijke bibliotheken zijn volgeschreven. Ze beantwoordt de basics, overspant met genuanceerd gemak een eeuw of dertien, wijst op merkwaardige vormen van continuïteit en op disrupties, en blijft dankzij de vele voorbeelden boeien. Kuin actualiseert met mate en neemt je mee in het almaar evoluerende onderzoek. Na lectuur heb je het gevoel: ik snap ze, die rare Romeinen en Grieken. En ik snap waarom ik dingen niet snap. Het verleden blijft altijd een vreemd land. Zeker als het over dingen gaat die zich goeddeels afspelen ‘in de hoofden’ en bij de gewone man.

Dat Constantijn een einde maakte aan de christenvervolgingen is minstens overdreven

"Het visioen van Constantijn"
Lendering & Hunink

Jona Lendering fulmineert op zijn website (www.mainzerbeobachter.nl) sinds tijden met enige strengheid tegen veel van zijn collega-menswetenschappers en oudheidkundigen: ze communiceren niet of slecht met het brede publiek en leggen veel te weinig hun methodes en vooral ook hun beperkingen uit. Geen wonder dat ze in een crisis zijn beland. Wie zoiets verkondigt, moet het zelf anders doen. Dat doet Lendering in Het visioen van Constantijn, waarvoor Vincent Hunink de gezwollen feestrede vertaalde waarin het genaamde visioen als… heidens wordt beschreven.
Dit zijn de zekerheden: keizer Constantijn promootte het christelijk geloof en stierf als christen. En het aantal christenen nam exponentieel toe na zijn troonsbestijging. Dit is wat de christelijke auteur Eusebius vertelt en wat tot op vandaag in de schoolboeken staat over Constantijns visioen kort voor hij in 312 bij Rome een rivaal beslissend versloeg: hij zou een kruis hebben gezien met de woorden dat de God van de christenen hem de overwinning beloofde. Die boekte hij ook en daarom bekeerde hij zich. Hij maakte een eind aan de christenvervolgingen.
 
Jona Lendering deconstrueert het verhaal met brille, door consequent gebruik te maken van wat we weten en vooral ook door te wijzen waar er gaten zijn in onze kennis: zekerheid zullen we voor veel facetten van de oudheid nooit hebben. In dit geval komt de auteur na veel omzwervingen – je moet als lezer bereid zijn hem in zijn veeleisendheid te volgen – tot de conclusie dat Constantijn vermoedelijk in 309/310 een lichtvisioen had, dat hij dat eerst aan Apollo toeschreef en het pas veel later om politieke redenen – en ‘omdat de menselijke herinnering een hond is die gaat liggen waar hij wil’ – zelf is gaan beschouwen als een manifestatie van Christus. Van het zogenaamde chi/ro-teken dat Constantijn waarnam – met de eerste twee Griekse letters van Christus’ naam – weten we bijvoorbeeld niet of het in 312 al een christelijk symbool was, zoals doorgaans wordt aangenomen. Het speelde wél een rol in de cultus van de zonnegod. En dat Constantijn een einde maakte aan de christenvervolgingen is minstens overdreven, want die waren eigenlijk al voorbij.
 
De vierde eeuw wordt steevast een kanteleeuw genoemd: aan het begin nog maar nauwelijks christendom, aan het eind volop én staatsgodsdienst. Deze twee boeken zijn elkaars tegenpolen – het ene is een synthese, het andere een zoektocht naar één historisch gebeuren – maar alle twee stellen ze bestaande beelden grondig bij, contextualiseren ze de religieuze (r)evolutie en brengen ze hun lezers bij de tijd.
 
Inger N.I. Kuin 
Leven met de goden. Religie in de ­oudheid. 
Amsterdam ­University Press, 140 blz., 14,99 € (e-boek 6,99 €).


Jona Lendering en Vincent Hunink 
Het visioen van ­Constantijn. Een ­gebeurtenis die de wereld veranderde.
Omniboek, 176 blz., 17,50 € (e-boek 9,99 €).

 

Bron: PATRICK DE RYNCK, De Standaard, 18/05/2018

Het jaar 117 - Tom Buijtendorp.  
Sporen van Trajanus en Hadrianus
in de Lage Landen.  

In 'Het jaar 117' beschrijft Tom Buijtendorp wat er 1900 jaar geleden in de Lage Landen gebeurde. 

Precies 1900 jaar geleden overleed keizer Trajanus. Hij werd opgevolgd door Hadrianus. De expansiestrategie van Trajanus maakte plaats voor consolidatie. Waar de Romeinen eeuwenlang gestreefd hadden naar uitbreiding van het rijk, volgde nu een periode van bestendiging. Het Rijk dreigde namelijk ten onder te gaan omdat het te groot was geworden. Op verschillende plekken dreigde burgeroorlog.

Het jaar 117 vormt de breuklijn tussen deze twee tijdperken. De situatie in de Lage Landen illustreert deze breuk, door de strategische ligging. Tom Buijtendorp laat aan de hand van 40 voorwerpen en plaatsen zien wat de gevolgen waren van deze strategie. Speciale aandacht verdienen hierbij de gipsen afdrukken van de originele zuil van Trajanus, verzameld door de Franse koning Lodewijk XIV, die zich in het depot van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden bevinden. Een fragment uit dit bijzondere boek: 

Door het riool naar het centrum van de macht

In de Keulse museumkelder kun je linksom eerst het Romeinse riool betreden. De meer dan manshoge stenen afvoer uit de eerste eeuw is vochtig, waardoor vooral het halfronde stenen gewelf begroeid is met groen mos en op de vloer water druppelt. Na bijna tweehonderd meter is het vervolg geblokkeerd. Loop je terug door het riool in de richting van de Rijn, dan vind je links verborgen achter de rioolwand de imposante resten van het Romeinse gouverneurspaleis, het praetorium. Dat was de plek waar Trajanus leiding gaf aan de provincie toen hij tot keizer werd benoemd. Het was de plaats waar ruim een kwart eeuw eerder Vitellius tot keizer was uitgeroepen, en in feite op kleinere schaal Trajanus voorging.

Het is een flink contrast om vanuit het Romeinse riool de wereld van pracht en praal te betreden. Na een flink stuk lopen over de vochtige Romeinse rioolvloer stap je in het andere uiterste. Rechts staat een doorsnede van het betonnen aquaduct dat vanaf eind eerste eeuw de stad en hetpraetorium van stromend water voorzag. Het was met 98 kilometer een van de langste van Europa. De uitgestalde vondsten tonen de weelde van het paleis, van een keizersbuste tot monumentaal beeldhouwwerk. Op de achtergrond verschijnt het massieve, metershoge muurwerk van het paleis. Dat blijkt slechts de hoek te zijn van een van de grootste Romeinse bouwwerken uit de regio.

De uitgestalde brokken veelkleurig marmer en porfier komen van de rijke bekleding van wanden en vloeren, aangevoerd uit ver weg gelegen gebieden zoals Turkije en Noord-Afrika. Rijkversierde bouwelementen, zoals de kapitelen van zuilen, brengen de toenmalige monumentaliteit van het gebouw verder tot leven. Een rood geschilderde zuil herinnert eraan dat het bouwwerk overdadig gekleurd was. Een vitrine met etensresten en ander rioolafval doet tegelijk beseffen dat het ook maar mensen waren die hier hun keizerlijke sporen achterlieten.

Inscripties getuigen onder meer van de verbouwingen van het paleis dat tot het eind van de Romeinse heerschappij in gebruik bleef. Ze noemen beroemde personen. Bijvoorbeeld Nepos, een vriend van keizer Hadrianus. Nepos was stadhouder in Keulen toen keizer Hadrianus hier op zijn eerste grote reis op bezoek kwam. Waarschijnlijk begeleidde hij de keizer naar het kustgebied waar deze in de buurt van het huidige Den Haag de stad Forum Hadriani zou stichten, zover bekend een primeur voor deze keizer. Daarna maakten ze de oversteek naar Brittannië, waar Nepos zijn volgende gouverneurspost zou bekleden en toezag op de bouw van de Muur van Hadrianus. Het waren momenten dat historische grenzen werden getrokken. Het zou een gouden tijdperk worden, dat pas tegen het eind van de tweede eeuw ten einde liep. Aan dat einde herinnert een inscriptie van de latere keizer Didius Julianus, die als stadhouder het praetorium na een brand in 184-185 herstelde. Eerder was hij vijf jaar gouverneur van het aangrenzende Gallia Belgica, dat een groot deel van de zuidelijke Lage Landen omvatte. Interessant is hier vooral zijn bizarre keizerschap dat het einde markeert van de Gouden Eeuw waarvoor Trajanus en Hadrianus de basis hadden gelegd.

Een lang, onrustig tijdperk

Eind maart 193 werd Didius Julianus keizer nadat de Praetoriaanse garde zich tegen zijn voorganger Pertinax had gekeerd. In een poging de opgewonden soldaten te kalmeren, werd Pertinax met een lans doodgestoken door Tausius, een stamlid van de Tungri uit de omgeving van Tongeren. De garde bood vervolgens de troon aan de hoogste bieder. Dat werd Didius Julianus met 25.000 sestertiën per gardist, vele jaarsalarissen per persoon. Tijdgenoten zagen het gekochte keizerschap al als een verval der tijden. Drie maanden later werd Julianus onthoofd in opdracht van zijn tegenstander Septimius Severus, die hem opvolgde. Er was een bizar einde gekomen aan de dynastie van de adoptiefkeizers waartoe Trajanus en Hadrianus hadden behoord, en het was het begin van een lang, onrustig tijdperk waarin militaire kracht het keizerschap ging beheersen. Driekwart eeuw later zou vanuit die chaos de waarschijnlijk Bataafse keizer Postumus vanuit Keulen een eigen keizerrijk uitroepen dat vijftien jaar standhield.

Keizerinnen

In Keulen begonnen niet alleen keizerschappen, maar werd ook een keizerin geboren:Agrippina de Jongere, zus van Caligula, echtgenote van Claudius en moeder van Nero. Ze was genoemd naar haar schoonvader Agrippa, de generaal van keizer Augustus die eerder in de Lage Landen was. Hij verbleef er onder meer in Nijmegen in een fort en liet vanuit het zuiden een weg aanleggen naar Keulen. Die stad is in 50 naar haar genoemd.

De zeer invloedrijke Agrippina werd bekend dankzij de smeuïge hofintriges. Die werden uitvoerig vastgelegd door geschiedschrijvers alsTacitus, Suetonius en Cassius Dio, van wie de eerste twee hun geschiedwerken rond het jaar 117 schreven. Zij gebruikten die intriges vooral om te laten zien hoe goede keizers juist niet moesten regeren. Bovendien was het voor de mannelijke elite frustrerend dat hun invloed in de senaat met de val van de republiek en de opkomst van de keizers was uitgehold. Daardoor hadden ze in deze masculiene samenleving extra moeite met invloedrijke vrouwelijke leden van het keizerlijk huis. Het is daarom jammer dat er niets bewaard is van de memoires die Agrippina volgens Tacitus schreef en die ook worden genoemd door Plinius de Oudere. Tegelijk geeft het bestaan ervan aan dat Tacitus van die gezaghebbende bron niet te veel kon afwijken. De wellicht aangedikte verhalen geven zodoende op hoofdlijnen een bruikbaar beeld. Het vestigt de aandacht op de sturende rol van vrouwen op de achtergrond. Het was een soms beslissende factor die in het jaar 117 opnieuw zou opduiken en toen misschien wel het Romeinse Rijk voor een nog grotere ramp behoedde.

De in Keulen geboren Agrippina had krachtige voorbeelden zoals die van haar overgrootmoeder Livia, de echtgenote van keizer Augustus. En haar eigen moeder Agrippina de Oudere stond al haar mannetje tussen de soldaten aan de Rijn. Na elkaar zouden de drie keizerinnen gedurende ruim een eeuw grote invloed uitoefenen op de heersende keizers. De toon werd gezet door Livia, die zesentachtig jaar zou worden. Ze was ruim een halve eeuw de sterke vrouw naast keizer Augustus, en ging nog ruim tien jaar door als kranige bejaarde naast haar zoon Tiberius toen die keizer was geworden. Ze verwierf na de dood van Augustus als eerste de titel ‘Augusta’, wat de betekenis van keizerin zou krijgen. In het Keulse museum staat haar buste veelzeggend naast die van Augustus, met aan haar andere zijde die van Agrippina de Jongere. Over hen buigen zich de stenen van de noordelijke stadspoort met de afkorting van de stadsnaam, afsluitend met de A van Agrippina de Jongere.

De moeder van Agrippina had al tijdens haar verblijf aan de Rijn de reputatie een sterke vrouw te zijn. Zo stond de zwangere Agrippina de Oudere erop toch haar echtgenoot Germanicus aan het front te vergezellen, wat voor de echtgenotes van veldheren zeer ongebruikelijk was. Ze was erbij toen de Rijnlegers haar man tot keizer wilden uitroepen, hetgeen hij afsloeg. In de onrustige sfeer werd besloten de vrouwen en kinderen in veiligheid te brengen. Dat zou de soldaten hebben doen beseffen dat ze te ver gingen nu zelfs de kleindochter van keizer Augustus van hen te vrezen had. Haar woeste blik zou ondraaglijk zijn geweest. Het jaar erop zou ze bij Xanten ‘als een generaal’ voorkomen dat uit angst voor oprukkende Germanen de brug over de Rijn werd afgebroken. Zo voorkwam ze dat de Romeinse troepen aan de overzijde van de rivier ingesloten raakten. Later hielp ze de gewonden te verzorgen. Tacitus baseert zijn verhaal op Plinius de Oudere, beroemd schrijver van de eerste encyclopedie, die kort sliep om het leven zo lang mogelijk te benutten onder het motto ‘leven is wakker zijn’. Halverwege de eerste eeuw diende hij in Xanten als ruiter, zo bevestigen de restanten van een paardenuitrusting uit die plaats in het British Museum. ‘Onder ruiterofficier Plinius’ staat op een van de onderdelen. Plinius kan het verhaal over Agrippina in het kampdorp hebben gehoord van oudere mensen.

Ze voedde ondertussen haar jonge kinderen tussen de soldaten op. De latere keizer Gaius gaven ze de bijnaam Caligula, de naam van de soldatenschoenen waarin hij als peuter speelde. Het is een schoentype dat veelvuldig in de Lage landen wordt opgegraven en met de karakteristieke noppen hier en daar herkenbare afdrukken achterliet. Agrippina baarde in het najaar van het jaar 15 in Keulen de naar haar genoemde dochter Agrippina, toen haar man Germanicus inmiddels plaatsvervanger van keizer Tiberius was. Het jaar erop werd haar dochter Drusilla geboren in de buurt van Koblenz.

Germanicus, met wie ze negen kinderen kreeg, zou enkele jaren later onder verdachte omstandigheden sterven. Daarop aarzelde Agrippina niet keizer Tiberius van de moord op haar echtgenoot te beschuldigen. Er gingen al snel verhalen dat ze zelf de macht wilde overnemen. Tiberius nam dat zo serieus dat hij haar liet verbannen naar een eiland, waar ze na vele jaren de hongerdood stierf, mogelijk na een hongerstaking. Haar zoon Caligula herdacht zijn moeder op zijn munten. Vermoedelijk schonk hij ook haar naam aan de door hem persoonlijk opgerichte Romeinse versterking bij Valkenburg aan de Rijn: ‘Praetorium Agrippinae’. Zijn persoonlijke bezoek illustreert de bovengemiddelde keizerlijke interesse voor het gebied. Zo was zijn voorganger Tiberius al als generaal in Nijmegen geweest waar hij werd gehuldigd met een bijzonder monument dat nu in Museum Het Valkhof staat.

De ster van de in Keulen geboren Agrippina de Jongere rees toen Tiberius werd opgevolgd door haar broer Caligula. Die was aanvankelijk gek op zijn drie zussen, van wie er twee in het noorden waren geboren. Ook in de Lage Landen werden ze via munten aan het publiek voorgesteld. Later bekoelde de relatie. Nadat Caligula door de Praetoriaanse garde werd vermoord, deed Agrippina het aanvankelijk rustig aan. Maar toen viel haar oog op de volgende keizer Claudius, die in het jaar 48 zijn overspelige vrouw Messalina liet ombrengen. Agrippina wist Claudius te verleiden, waarop ze in 49 trouwden toen zij 34 was en hij 58. Al het jaar erop kreeg ze als eerste vrouw van een nog levende keizer, de titel Augusta.

Ze trad op als een soort mederegent. Er verschenen munten van Claudius met haar portret op de keerzijde, de eerste maal dat een levende keizerin zo werd afgebeeld. Haar geboorteplaats Keulen kreeg de eervolle status van colonia en mocht bovendien haar naam dragen: Colonia Claudia Ara Agrippinensium, of korter: Agrippina. De inwoners noemden zich Agrippinenser. Het is het enige bekende voorbeeld dat een Romeinse colonia de naam van een vrouw kreeg. Tacitus concludeerde dat de feitelijke macht nu bij haar lag, in zijn ogen een teken van moreel verval.

Bron: Tom Buijtendorp; Historiek.net

Adrian Goldsworthy - Augustus

Als je je afvraagt waarom het Romeinse Rijk onder leiding van keizers enkele eeuwen een wereldrijk was dan is Augustus, van revolutionair tot keizer van Rome van de Engelse historicus Adrian Goldsworthy een goed startpunt.

 
Het is het zeker waard om de 604 pagina’s –inclusief appendices, verklarende woordenlijst, stambomen, bibliografie, notenapparaat, register en fotokatern- door te werken. Hoe verder je namelijk vordert in het boek hoe meer je tot de overtuiging komt dat zonder Augustus het Romeins staatsbestel en Romeinse Rijk nooit die vorm hadden gekregen die we kennen uit de geschiedenis.

Alleenheerschappij
Na de slechte ervaringen met hun koningen waren de Romeinen –de senatoren voorop- afkerig van iedere vorm van alleenheerschappij. Wat ook Julius Caesar ondervond toen hij door samenzweerders werd gedood. Caesars aangenomen zoon Augustus (diens naamswijzigingen laat ik hier voor wat ze zijn) wist echter in zijn lange leven ervoor te zorgen dat hij alleenheerser werd en dat de Romeinen hier nog enthousiast over waren ook. Ja, bij zijn weg naar de top gebruikte hij aanvankelijk het nodige geweld om zijn rivalen uit te schakelen. Maar de meeste machtsmiddelen en de uitingen die zijn aanzien vergroten werden hem gegund. Zelfs toevertrouwd. De senatoren en het Romeinse volk legden vrijwillig de macht in zijn handen. Voor de vorm sloeg hij de functies en triomftochten aanvankelijk beleefd af, maar na enig aanhouden aanvaardde hij deze toch. Almaar groter werd zijn rol als allesomvattende spil in het Romeinse Rijk.

Waarom gaven die Romeinen dan toch hun Republiek op? Augustus had een einde gemaakt aan de bloedige burgeroorlogen en de vrede had een prijs die de Romeinen graag betaalden. Al tijdens zijn leven werd Augustus (63 v. Chr.-14 na Chr.) geëerd al vader des vaderlands –pater patriae– en na zijn dood werd hij zelfs tot God verklaard. Eigenmachtig had hij de keizerscultus doen ontstaan en de heersende rol binnen het Rijk aan zijn eigen dynastie toebedeeld.

Augustus is meedogenloos
Goldsworthy beschrijft helder dat de omstandigheden gunstig waren –iedereen die de burgeroorlogen had beëindigd had daarvoor dankbaarheid genoten- maar het was de wijze waarop Augustus zelf met de situatie omging die ervoor zorgde dat er een opeenstapeling van macht ontstond. De auteur geeft in zijn conclusie toe dat het ondanks de intensieve studie en de vele bladzijden die daarvan het gevolg zijn, nog lastig is om Augustus te beoordelen. Augustus is dan wel de meest afgebeelde persoon uit de Oudheid, zich echt doen kennen doet hij niet,

“… want hij was te veel verschillende dingen tegelijk om een makkelijk oordeel te vellen.”
Goldsworthy breekt wel met de gedachte die veel historici voor hem hadden, namelijk dat Augustus’ leven in twee duidelijk te onderscheiden perioden uiteenviel; één voor de Slag bij Actium in 31 voor Chr. En één erna. Alsof er sprake was van twee verschillende personen; aanvankelijk een genadeloze legeraanvoerder, later een gewetensvolle staatsman. Goldsworthy ziet niets in zo’n karakterbreuk. Hij ziet juist de constante in zijn gedrag. En hij verwoordt dat –waaruit direct ook blijkt dat hij geen slaafs bewonderaar is- als volgt: “Augustus joeg meedogenloos op de macht, maar toen hij die eenmaal had veroverd, toonde hij een groot verlangen om alles goed te laten functioneren, of het nu om de voedsel- of watervoorziening ging, het wegensysteem, de verschillende magistraturen of het bestuur van Rome, Italië en de provincies.”

Goldsworthy is naast historicus die zichtbaar boven de stof staat ook een begenadigd schrijver -hij schreef naast enkele boeken over Rome ook een romanserie over de Napoleontische oorlogen- en dat maakt deze dikke pil prima verteerbaar. In de Nederlandse vertaling is de leesbaarheid overeind gebleven.

Adrian Goldsworthy

Augustus, van revolutionair tot keizer van Rome
(Utrecht 2016)
ISBN 9789401906869, € 34,99, 604 p.
Uitgeverij Omniboek

 
Bron: Leon Mijderwijk, historien.nl,  30 mei 2016

In deze serie van Historiek.net worden de belangrijkste typisch Hellenistische filosofische scholen behandeld: de Cynici, het radicaal Hedonisme, het meer gematigde Epicurisme, de vroege Stoa en de Sceptici. Om het af te sluiten hierbij een samenvatting, waarmee we de hele filosofische discussie van het vroeg-Helleense tijdperk kunnen overzien. Daarbij zullen we ook de filosofieën van Plato en Aristoteles in het overzicht meenemen, want de door hen gestichte scholen zijn ook in de Hellenistische tijd van groot belang. Maar eerst wat meer over de Helleense beschaving als achtergrondinformatie.

 

De Helleense samenleving

In de periode voor het Hellenisme was de Griekse polis een belangrijke entiteit waaraan de Grieken hun identiteit ontleenden. De filosofieën van filosofen uit die tijd, zoals als Plato en Aristoteles, spiegelen zich aan deze polis: de stadsstaat en zijn politiek staat in de filosofie centraal. In de Hellenistisch tijd werd de stadstaat echter overvleugeld door de nieuwe rijken, die weliswaar geregeerd werden door Griekse elites, maar veel grootschaliger waren. Daarbij verloren de stadsstaten waar de directe democratie gevestigd was ook de eigen politieke vorm. De hoofdsteden van de Helleense rijken groeiden daarbij tot veel groter dan de Polis ooit geweest was, en daardoor vormden zij geen eenheden meer waar mensen hun identiteit aan ontleenden.

Plato
Plato

Met het wegvallen van de kleine gemeenschap als culturele kern werden de mensen meer naar binnen en naar zichzelf gekeerd. De cultuur ten tijde van de stadsstaten werd met een opvallende nostalgie verheerlijkt, maar ondertussen was er wel een nieuwe culturele bloei. In de kunst verschoof het accent van de mythologie naar de mensen, wat in de literatuur leidde tot de uitvinding van avonturenroman en de eerste kunstuitingen waarin de echte romantische liefde tussen man en vrouw bezongen wordt. Het gezin werd een belangrijker element in het maatschappelijk leven dan deze ooit geweest was. De beeldhouwkunst van de Helleense tijd ondertussen kenmerkt zich door een grote liefde voor realisme en detail, en ook de architectuur nam een nog hogere vlucht dan deze in de Atheense tijd al had genomen. Tenslotte ontwikkelden in de Helleense periode wetenschappen als wiskunde, astronomie, natuurwetenschappen, geologie en geneeskunde zich sterk, en boekte de technologie een grote vooruitgang. Dit was de wereld waarin de filosofen rondliepen die we tot nu toe bekeken hebben, en het is dan ook vooral een teken des tijds dat zij meer dan hun voorgangers bezig waren met de zoektocht naar het persoonlijk geluk, en zich minder bezig hielden met politiek en metafysica.

 

Verschillende vormen van geluk

In de tijd van het Hellenisme liepen er zoals we zagen veel filosofen rond die Cynici genoemd werden. Dit waren rondtrekkende filosofische kluizenaars die vooral provoceerden, met als doel de maatschappij en beschaving ter discussie te stellen, die volgens hen de mens afleidden van zijn natuurlijke staat van zijn. Zij lieten zich losjes inspireren door filosofische rebellen uit het verleden: zoals Heraclitus, die het leven als kluizenaar volgens de natuur promootte, Socrates, de eeuwige criticaster, en de Cynische filosofen Diogenes, de kruikbewoner, en Crates, de linzeneter. Het geluk ligt volgens de Cynici in het terugkeren naar het simpele animale bestaan.

De hedonistische filosofen komen zoals we zagen grofweg in twee soorten. De Cyreense school van Aristippos was de meest radicale hedonistische school. Voor de Cyreense school staat ‘plezier’ hoger dan ‘geluk’: het laatste is slechts een afgeleide van het eerste. Aristippos rechtvaardigde dit idee met een zeer sceptische houding tegenover kennis. Hij vertrouwt liever op het gevoel.

Epicurus
Epicurus

 

Een meer gematigd hedonist was Epicurus. De wereld is volgens hem een product van toevallige botsingen van atomen, en dat is volgens de Epicuristen een goede reden om niet verder te zoeken naar een zin van het leven. Ook Epicuristen vertrouwen op het gevoel. De rede leert ons echter gevoelens tegen elkaar af te wegen en berekenend op te treden. Om gelukkig te zijn is het volgens hen maar beter als we niet teveel ambities koesteren en een gematigd en teruggetrokken bestaan leiden.

 

En dan de Stoïcijnen. Zij verschillen fundamenteel met Epicurus in hun overtuiging dat er juist géén toeval bestaat. Alles wat gebeurt, gebeurt volgens hen uit noodzaak. Alles hangt samen met alles. Zij stellen dat de natuurwetten redelijk zijn, en daarmee fundamenteel begrijpelijk. Volgens de vroege Stoïcijnen is de zoektocht naar kennis de weg naar het geluk. Zij trekken zich niet terug zoals Epicurus: zij willen de hele wereld begrijpen en haar zo leren te accepteren zoals zij is. Om de wereld te kennen zoeken zij hun heil bij de logica en de wetenschap.

De Sceptici tenslotte stellen dat ieder oordeel tot teleurstelling leidt, en dat oordelen afleidt van de werkelijke zoektocht naar het geluk.

De Helleense stromingen die we zojuist bespraken lieten zich inspireren door andere voorgangers dan Plato en Aristoteles, die zich vooral lieten inspireren door filosofen als Parmenides en Pythagoras, filosofen die zochten naar een onveranderlijke waarheid achter de verschijnselen. De Cynici, de Hedonisten, de Stoïcijnen en de Sceptici zijn filosofen die uitgaan van een veranderlijke wereld. In deze filosofieën wordt met name Heraclites veel aangehaald. Socrates wordt vaak als voorbeeld gezien, maar voor de Helleense filosofen vervult Socrates vooral zijn functie als grote twijfelaar. Zij zien hem niet in de rol van moralist die op zoek is naar Het Goede, de rol die hij in de filosofie van Plato speelt. Ondertussen bleven in de Hellenistische tijd ook de Platoonse Academie en het Lyceum van Aristoteles zeer invloedrijk. Maar ook al gingen de filosofen van die scholen uit van het geloof in een achterliggende hogere vaste waarheid, het waren zelf geen statische bewegingen.

De Platoonse Academie

Vooral de Platoonse school heeft zeer sterke ontwikkelingen doorgemaakt. Plato stelde dat een mens het geluk kon bereiken door zich te wenden tot de wereld van de abstracte vormen, met behulp van rationele kennis. Wat alle Platonisten bindt is dat ze geloven in het absolute goede, dat door de ratio te kennen, of in ieder geval te benaderen valt. Wie de kennis van het goede heeft, is gelukkig.

Maar de Platoonse school bewoog zich in de tijd van het Hellenisme meer en meer in de richting van het scepticisme. We hadden al een voorbeeld van gezien met Carneades, in de vorige aflevering, die de geschriften van Plato opvatte als een oefening in dialectiek en pragmatische kennisverwerving.

In de tijd van de Romeinse keizers, vijfhonderd jaar later, ging het Platonisme weer de compleet tegenovergestelde richting op, en verwerd het tot een aparte filosofie: het Neoplatonisme. Hierin werd Plato zijn filosofie gemixt met inzichten uit de Stoa en de leer van Aristoteles, maar ook met invloeden uit mystieke stromingen, waaronder maar zeker niet alleen christelijke mystieke stromingen. Kennis van het hogere wordt in het Neoplatonisme verkregen door de religieuze ervaring, die volgt op een combinatie van rationele studie en meditatie. Overigens meenden de Neoplatonisten dat zij de juiste interpretatie van de filosofie van Plato gevonden hadden en noemden zij zich gewoon Platonisten.

In de Hellenistische tijd echter nam het Platonisme meer en meer een kritische rol in: zij bekritiseerden de Stoïcijnen met hun stelling dat de mens niet zou kunnen dwalen, en ontwikkelde zich zo richting scepticisme.

De peripatetische school

Aristoteles
Aristoteles

Ook de Aristoteliaanse school, ook wel de Peripatetische school genoemd, naar de Peripatos, de overdekte wandelgalerij waarin Aristoteles gewoon was wandelend les te geven, kende een ontwikkeling.

 

Aristoteles zelf stelde dat het geluk uiteindelijk lag in zelfverwerkelijking. Het doel van de mens was te groeien in de hogere mens-vorm. Volgens Aristoteles is iedere verschijning een streven naar een bepaald doel. Aristoteles’ leerling Theophrastus stelde echter vragen bij de neiging van Aristoteles om alles te beschouwen als doelgericht. De hele teleologische visie van het denken van Aristoteles, zoals het denken in dat alles naar een einddoel streeft genoemd wordt, raakt in zijn school naar verloop van tijd achterop.

De volgelingen van Aristoteles vonden in de leer van hun leermeester echter ook een duidelijk meer pragmatisch beeld van hoe een mens gelukkig dient te worden: in het zoeken naar het juiste evenwicht tussen tegengestelde emoties dat Aristoteles bepleitte. Zo zoekt de Peripatetische school in de Helleense tijd naar het wijze midden tussen bijvoorbeeld overmoed en lafheid, tussen dolheid en zwartgalligheid. Extreme emoties zijn verkeerd, in het midden ligt de wijsheid.

Naast dat de Aristotelische school zich in de Hellenistsiche tijd meer richtte op de deugdenleer dan op het concept van zelfverwerkelijking, hield zij zich vooral bezig met het beoefenen van de logica en de beschrijvende wetenschap.

Het Helleense filosofische debat

De Helleense filosofie is te begrijpen als een continu debat tussen al de genoemde stromingen. De meeste filosofen verklaarden zich tot volgeling van één stroming, en stelden zich behoorlijk onverzoenlijk tegenover andere stromingen op. Door de vertegenwoordigers van de verschillende scholen werden vervolgens heftige polemieken en debatten gevoerd. Deze debatten dienden om de theoretische verschillen tussen de scholen uit te diepen. Absurde stellingen als “kan een mens gelukkig zijn op de pijnbank” werden daarbij serieus behandeld. De Stoïcijnen en de Platonisten vonden van wel, de Epicuristen waren tegen, terwijl de Sceptici alle beweringen van al die anderen belachelijk maakten. Ondertussen hadden de volgelingen van Aristoteles en de Stoïcijnen vette meningsverschillen over wat logica was.

Je zal misschien vinden dat al deze stromingen toch ook veel overeenkomsten hebben. Maat houden, soberheid, evenwicht zoeken: dit zijn zaken die bij de meeste van deze filosofen sterk terugkomen. Op zich niet zo gek, want dit zijn waarden die in de Griekse cultuur sowieso als deugd beschouwd werden. En daarbij is het opvallend dat ook de zoektocht naar het geluk voor al deze filosofen de centrale vraag is. Ze mogen in hun meningen over hoe dat geluk te bereiken valt vaak sterk verschillen, hun onderwerp blijft hetzelfde. Ondanks de felle debatten zit er in de filosofie van het Hellenisme dan ook een sterke gemeenschappelijke lijn.

Zeno de Stoïcijn
Zeno de Stoïcijn

 

Het mag mensen daarom verwonderen dat die filosofische scholen zo onverzoenlijk tegenover elkaar stonden, en niet eerder zochten naar de grootste gemene deler en elkaar opvatten als aanvullingen. Voor wie zich daar zelfs aan ergert, is er goed nieuws. Terwijl de Epicursten met hun vrienden zaten te filosoferen in hun tuinen, de Stoïcijnen en de Sceptici erop los debatteerden met de volgelingen van Plato en Aristoteles, en hier en daar nog een irritante Cynicus opdook om iedereen belachelijk te maken, werden de Helleense rijken in toenemende mate bedreigd door een opkomende macht in het westen: die van de Romeinen. De Romeinen hadden een meer praktische benadering van de filosofie dan de Grieken. Zij zagen minder nut in theoretische debat dan in praktische toepassing van filosofie. Zij hadden dan ook minder moeite met het combineren van de inzichten van de verschillende scholen. Daaruit kwamen dan weer de latere filosofische scholen voort, zoals het Platonisch Scepticisme dat we de vorige aflevering al zagen, de Midden-Stoa die we de aflevering daarvoor al aangestipt hadden, de nog niet genoemde Eclectici, later de late Stoïcijnen, en tenslotte, nog veel later, het Neoplatonisme. Deze stromingen zijn alle te begrijpen als mengvormen van eerdere Helleense scholen. Het enige echt nieuwe element in deze filosofieën is een stukje mystiek, dat mettertijd over kwam waaien met verschillende religieuze stromingen uit het Oosten, wat pas naar voren komt in de late Stoa, en tot wasdom komt in het Neoplatonisme.

 

We kunnen dus rustig stellen dat in de Hellenistische tijd de grond werd gevormd voor de latere filosofie. Daarom is deze filosofie ook zo een belangrijk voor de filosofische geschiedenis, en daarom is het jammer dat in veel overzichten van de filosofie de cynici, de hedonisten, de stoïcijnen en vooral de sceptici meestal maar als voetnoot behandeld worden. Zeker omdat deze filosofen, die vaak een fundamentele scepsis combineerden met een mechanische vorm van denken die ook in onze tijd in zwang zijn, ook interessant zijn voor onze tijd. De vroeg-Hellenistische filosofie vormt een filosofische cultuur waarin fundamentele inzichten over de mens, maatschappij en de natuur tegenover elkaar worden geplaatst, en direct gerelateerd worden aan de vraag wat het best is voor ons welzijn. Daarom zijn deze filosofen de moeite van het bestuderen waard.

Bron: Kees Alders; Historiek.netFilosofie van het Hellenisme, 9 februari 2016.

9200000002271496.jpgMarcus Aurelius (121-180) geldt, naast zijn voorgangers Augustus en Trajanus, als een modelkeizer. Hij zou de laatste 'goede' vorst zijn geweest; met het keizerschap van zijn zoon Commodus trad volgens de traditie het verval in. Dit beeld leeft tot in onze dagen voort en zien we terug in bijvoorbeeld de blockbuster Gladiator (2000).

Marcus Aurelius was echter een man met twee gezichten: behalve nobele vorst was hij ook een pragmatisch heerser die verantwoordelijk was voor brute christenvervolgingen. Zijn meedogenloze optreden tegen de barbaren in Midden-Europa zou hem tegenwoordig voor het Internationaal Strafhof in Den Haag hebben gebracht.

Anton van Hooff schetst niet alleen de diverse kanten van keizer Marcus' persoon, maar plaatst hem in het cultuurpatroon van zijn tijd. Aurelius draagt de tegenstellingen van zijn tijd in zich, de tijd waarin Oud-Romeinse waarden botsen met toenemende vergeestelijking.

Anton van Hooff (1943) was tot 2008 hoofddocent klassieke geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij publiceerde onder andere over Caesar, Polybius, banditisme, Spartacus en zelfdoding in de Oudheid. Hij schrijft voor diverse kranten en tijdschriften en  geeft lezingen over onderwerpen uit de klassieke geschiedenis. Sinds zijn pensionering doceert hij klassieke talen aan het Stedelijk Gymnasium Nijmegen.

In 2010 verscheen van zijn hand Nero & Seneca, despoot en de denker. Hierin schetst Anton van Hooff prachtig hoe de levens van de keizer en de filosoof eerst nauw met elkaar verbonden waren maar gaandeweg verder van elkaar verwijderd raakten. Athene, het leven van de eerste democratie, verscheen in 2011. Dit boek gaat over het unieke systeem van volksmacht, de democratische levensvormen en de weergaloze, ‘klassieke’ cultuurvormen die na vijfentwintig eeuwen nog steeds stof tot nadenken en genieten geeft.

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: