Cultuur en geschiedenis van de Oudheid

romein.jpg

Deze club gaat over de cultuur en de geschiedenis van de Oudheid: Egyptenaren, Grieken, Romeinen, Mesopotamiërs, etc... en van de periode voor de Oudheid, die we Pre-historie noemen.

Toetsgif1OX.gifVan Prehistorie tot Middeleeuwen is een heel lange periode. Deze club richt zich vooral op de Romeinse periode van de Oudheid.
Op deze club vind je voornamelijk blog- en nieuwsberichten over tentoonstellingen, boeken, films, nieuwe inzichten, foto's en links over de Oudheid. Aarzel niet om je mening te geven, of om te reageren op blog en forum.
 

De volgende periode op de tijdslijn na de Oudheid, de Middeleeuwen, vind je op de volgende geschiedenisclub: http://kathedralenbouwers.clubs.nl


 

  • Tentoonstelling over ontstaan en ontwikkeling limes

    17.06.2016 | 14:15

      Vanaf komend najaar is in Museum Het Valkhof in Nijmegen de tentoonstelling ‘Gezichten van de limes, de Romeinse rijksgrens in Nederland’ te zien. De kleinschalige expositie vertelt het verhaal van het ontstaan en de ontwikkeling van de limes, de grens van het Romeinse rijk, i…
    Lees meer…

  • Archeologische schat gevonden in oude haven Caesarea

    20.05.2016 | 22:38

      Twee duikers hebben in de oude haven van Caesarea een bijzondere schat gevonden. Tijdens een expeditie stuitten ze op de lading van een koopvaardijschip dat ongeveer 1600 jaar geleden zonk. Naast duizenden munten bevat de archeologische schat ook bronzen lampen en beelden. Dat meldt de I…
    Lees meer…

  • App over geschiedenis castellum de Brittenburg

    24.04.2016 | 17:39

    De Provincie Zuid-Holland en de gemeente Katwijk hebben een app laten ontwikkelen over de geschiedenis van de Brittenburg, een Romeins castellum dat inmiddels in de zee is verdwenen. De Brittenburg op een oude gravureDe Brittenburg vormde het meest westerse punt van de Limes, de noordgr…
    Lees meer…

  • De Nederlandse kust in de Romeinse tijd

    11.04.2016 | 18:08

        Hoe zag in de Romeinse tijd het leven aan de Nederlandse kust eruit? Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden heeft hier een tentoonstelling over samengesteld. Tegelijkertijd is een boek over het onderwerp verschenen: Rome aan de Noordzee: burgers en barbaren te Velsen.  &nbs…
    Lees meer…

Adrian Goldsworthy - Augustus

Als je je afvraagt waarom het Romeinse Rijk onder leiding van keizers enkele eeuwen een wereldrijk was dan is Augustus, van revolutionair tot keizer van Rome van de Engelse historicus Adrian Goldsworthy een goed startpunt.

 
Het is het zeker waard om de 604 pagina’s –inclusief appendices, verklarende woordenlijst, stambomen, bibliografie, notenapparaat, register en fotokatern- door te werken. Hoe verder je namelijk vordert in het boek hoe meer je tot de overtuiging komt dat zonder Augustus het Romeins staatsbestel en Romeinse Rijk nooit die vorm hadden gekregen die we kennen uit de geschiedenis.

Alleenheerschappij
Na de slechte ervaringen met hun koningen waren de Romeinen –de senatoren voorop- afkerig van iedere vorm van alleenheerschappij. Wat ook Julius Caesar ondervond toen hij door samenzweerders werd gedood. Caesars aangenomen zoon Augustus (diens naamswijzigingen laat ik hier voor wat ze zijn) wist echter in zijn lange leven ervoor te zorgen dat hij alleenheerser werd en dat de Romeinen hier nog enthousiast over waren ook. Ja, bij zijn weg naar de top gebruikte hij aanvankelijk het nodige geweld om zijn rivalen uit te schakelen. Maar de meeste machtsmiddelen en de uitingen die zijn aanzien vergroten werden hem gegund. Zelfs toevertrouwd. De senatoren en het Romeinse volk legden vrijwillig de macht in zijn handen. Voor de vorm sloeg hij de functies en triomftochten aanvankelijk beleefd af, maar na enig aanhouden aanvaardde hij deze toch. Almaar groter werd zijn rol als allesomvattende spil in het Romeinse Rijk.

Waarom gaven die Romeinen dan toch hun Republiek op? Augustus had een einde gemaakt aan de bloedige burgeroorlogen en de vrede had een prijs die de Romeinen graag betaalden. Al tijdens zijn leven werd Augustus (63 v. Chr.-14 na Chr.) geëerd al vader des vaderlands –pater patriae– en na zijn dood werd hij zelfs tot God verklaard. Eigenmachtig had hij de keizerscultus doen ontstaan en de heersende rol binnen het Rijk aan zijn eigen dynastie toebedeeld.

Augustus is meedogenloos
Goldsworthy beschrijft helder dat de omstandigheden gunstig waren –iedereen die de burgeroorlogen had beëindigd had daarvoor dankbaarheid genoten- maar het was de wijze waarop Augustus zelf met de situatie omging die ervoor zorgde dat er een opeenstapeling van macht ontstond. De auteur geeft in zijn conclusie toe dat het ondanks de intensieve studie en de vele bladzijden die daarvan het gevolg zijn, nog lastig is om Augustus te beoordelen. Augustus is dan wel de meest afgebeelde persoon uit de Oudheid, zich echt doen kennen doet hij niet,

“… want hij was te veel verschillende dingen tegelijk om een makkelijk oordeel te vellen.”
Goldsworthy breekt wel met de gedachte die veel historici voor hem hadden, namelijk dat Augustus’ leven in twee duidelijk te onderscheiden perioden uiteenviel; één voor de Slag bij Actium in 31 voor Chr. En één erna. Alsof er sprake was van twee verschillende personen; aanvankelijk een genadeloze legeraanvoerder, later een gewetensvolle staatsman. Goldsworthy ziet niets in zo’n karakterbreuk. Hij ziet juist de constante in zijn gedrag. En hij verwoordt dat –waaruit direct ook blijkt dat hij geen slaafs bewonderaar is- als volgt: “Augustus joeg meedogenloos op de macht, maar toen hij die eenmaal had veroverd, toonde hij een groot verlangen om alles goed te laten functioneren, of het nu om de voedsel- of watervoorziening ging, het wegensysteem, de verschillende magistraturen of het bestuur van Rome, Italië en de provincies.”

Goldsworthy is naast historicus die zichtbaar boven de stof staat ook een begenadigd schrijver -hij schreef naast enkele boeken over Rome ook een romanserie over de Napoleontische oorlogen- en dat maakt deze dikke pil prima verteerbaar. In de Nederlandse vertaling is de leesbaarheid overeind gebleven.

Adrian Goldsworthy

Augustus, van revolutionair tot keizer van Rome
(Utrecht 2016)
ISBN 9789401906869, € 34,99, 604 p.
Uitgeverij Omniboek

 
Bron: Leon Mijderwijk, historien.nl,  30 mei 2016

Tom Holland (Oxford, 1970) heeft een dwarse kijk op de klassieke oudheid. Dat blijkt ook uit zijn nieuwste, fascinerende boek.

De een leidde een verdorven dubbelleven, de ander benoemde zijn paard tot consul, weer een ander vermoordde zijn moeder en achtte zichzelf de grootste zanger die ooit geleefd had. De eerste keizers van het Romeinse Rijk spreken al twee millennia tot de verbeelding van historici, romanciers en film- en televisiemakers – van Tacitus en Suetonius tot Robert Graves (I, Claudius) en de thrillerschrijver Steven Saylor (Empire). Of, zoals Tom Holland het formuleert in het voorwoord van zijn nieuwe boek: ‘Moordlustige matriarchen, incestueuze powerkoppels, miezerige bètamannetjes die niettemin de macht over leven en dood in handen krijgen: de vaste ingrediënten van moderne dramaseries zijn allemaal te vinden in het bronnenmateriaal van deze periode.’

Niet verwonderlijk dus dat Holland, sterauteur van historische bestsellers over onder meer de Perzische oorlogen en de opkomst van de islam, zich stortte op de zogeheten Julisch-Claudische keizers, de (verre) afstammelingen van Julius Caesar die regeerden van 27 voor Christus tot 68 na Christus. Dynasty heet zijn boek, naar de dynastie die door Augustus, de neef en adoptiefzoon van Caesar, werd gesticht en door Tiberius, Caligula, Claudius en Nero werd voortgezet. Maar Holland zou Holland niet zijn als hij niet doelbewust verwees naar de jaren-tachtigsoap die ook grossierde in bedrog, overspel, misdaad en machtspolitiek.

Tom Holland: Dynastie.
De opkomst en ondergang van het huis van Julius Caesar.
Vert. Boukje en Arian Verheij.
Athenaeum – Polak & Van Gennep, 470 blz. € 29,99

Intrigerende matrones

Tom Holland (1970) is beroemd geworden door Rubicon, een laconieke, humoristische en bij vlagen monumentale geschiedenis van de ondergang van de Romeinse republiek, met veel aandacht voor wrede legeraanvoerders en intrigerende matrones maar ook voor het dagelijks leven in de eerste eeuw voor Christus. Hollands republikeinse Rome bleek een slangenkuil van adellijke families, die allemaal op zoek waren naar eer en glorie en allemaal een panische angst hadden om gezichtsverlies te lijden; of beter gezegd, een conglomeraat van maffiaclans die van iedereen respect eisten en bereid waren daarvoor bloed te vergieten. Met als gevolg een opeenvolging van burgeroorlogen.

Degene die daar een eind aan maakte was Octavianus Augustus, die in de periode 44-31 zegevierend uit de strijd tegen de moordenaars van Caesar én zijn grootste concurrent Marcus Antonius was gekomen. Hij ontdeed de elite (lees: de senatoren) van hun macht, maar kleedde zijn alleenheerschappij zo subtiel in dat hij zijn aristocratische medeburgers in staat stelde net te doen alsof ze nog vrij waren – ‘als tijgers in gevangenschap, zich bewegend binnen de grenzen van een schitterend gedecoreerde dierentuin’. Princeps noemde hij zichzelf, de eerste onder zijn gelijken, maar zijn ‘principaat’ was al snel totalitairder dan de ergste dictatuur. Augustus bemoeide zich tot in de slaapkamer met het reilen en zeilen van zijn onderdanen. Hij was volgens de dichter Ovidius (‘de authentieke stem van de Romeinse metroseksualiteit’) de zon voor wie niks verborgen bleef, een verre voorloper van George Orwells Big Brother.


Holland vertelt met smaak hoe de piepjonge Augustus zich opwerkte tot de capo di tutti capi, hoewel hij een hopeloze generaal was en in het zadel gehouden moest worden door zijn vrienden Agrippa (een natuurtalent op het slagveld) en Maecenas (‘de regelaar uit Arretium’) en zijn militair begaafde stiefzoons Drusus en Tiberius. Hij heeft bewondering voor Augustus’ gevoel voor public relations en leeft zich in in zijn problemen bij het terugdringen van de Germanen (de slachting in de Teutoburgerpas) en bij het vinden van een opvolger (de een na de ander legde het loodje). Maar de halve eeuw van Augustus is voor Holland toch vooral de opmaat tot de schitterende verhalen over zijn opvolgers, die nu eenmaal veel kleurrijker waren.


En kleur is wat Holland zoekt in zijn narratieve geschiedschrijving, hoe consciëntieus hij ook de bronnen interpreteert. Dat zie je terug in zijn stijl, die vlotheid afwisselt met lyriek en dan zelfs af en toe aan Tacitus doet denken. Wat te denken van zijn oordeel over een verre voorvader van de Claudische keizers: ‘Hij gedroeg zich tegenover zijn medeburgers met zulke arrogantie en hebzucht dat hij als het prototype van beide werd beschouwd’. Of van zijn kenschets van Rome vóór Augustus: ‘De met elkaar concurrerende bouwprojecten te midden van de smerigheid en het verval in de rest van de stad hadden als gouden vullingen geblonken in een mond vol bloedend tandvlees’. Klinkende zinnen die over het algemeen goed in het Nederlands zijn omgezet, al vallen de vertalers op kleine eigenaardigheden te betrappen. Zo spreken ze over Claudianen wanneer Claudiërs of Claudii bedoeld zijn, hebben ze een rare voorkeur voor zwakke werkwoorden (‘spinde’, ‘zweerden’), en verliezen ze zich af en toe in een lelijke zin: ‘Kunst noch vrede kon bestaan zonder uit te blinken op oorlogsgebied’.

Wat Holland vooral een feest om te lezen maakt, is zijn gevoel voor humor. Over de ontmoeting van Caesar en Cleopatra: ‘Caesar, die een gegeven paard nooit in de bek keek, had haar prompt zwanger gemaakt’. Over Augustus’ offensief tegen de verwijfdheid: ‘Mars was niet het type dat zijn lichaam onthaarde’. En over Tiberius, die als een antieke Michael Jackson zijn eigen themapark rondom de Griekse held Odysseus bouwde: ‘[Hij had ook] de nodige ervaring in het verwerken van tegenslagen en het omgaan met dominante vrouwen’. Zelfs de hoofdstuktitels – ‘Padrone’, ‘Cosa Nostra’, Terug naar de toekomst’, ‘Showtime’ – zijn goed voor een glimlach.

Nurkse mensenhater

Tiberius komt er in Dynastie heel wat positiever van af dan in de klassieke historiografie. Tacitus en Suetonius schilderden hem af als een nurkse mensenhater die gedurende zijn 23-jarige heerschappij steeds meer toegaf aan zijn perverse voorkeuren; Holland neemt – geheel in lijn met het moderne onderzoek waarop hij zich baseert – een genuanceerdere positie in. Hij wijst erop hoe stressvol het was om erfgenaam van de goddelijke Augustus te zijn, en al helemaal voor een man met ‘starre principes en knullige omgangsvormen’ die wars was van hypocrisie. ‘Gevangen in een toneeldecor dat hij niet zelf had gebouwd, was de Princeps gedwongen een rol te spelen die al helemaal voor hem was uitgeschreven door een god.’ In dat licht bezien deed Tiberius, die een conservatieve grenspolitiek voerde, het niet slecht, al was zijn verhouding met de senaat en het volk van Rome hopeloos. Over zijn seksuele uitspattingen lezen we alleen indirect – Holland schrijft de wilde verhalen vooral toe aan het roddelcircuit, dat de Palatijn, het paleis van de Caesaren, framede als een soort Gooise Matras.

Ook Claudius (41-54) leren we anders kennen dan we gewend zijn. Voor de antieke historici was hij een zwakke keizer, geregeerd door zijn vrouwen en vrijgelatenen; in de ogen van de moderne geschiedwetenschap promoveerde hij tot een wijze man, die met goede ideeën de puinhopen van vier jaar Caligula herstelde. Bij Holland is hij weer de vertrouwde sukkel die het niet slecht bedoelde maar die doodvonnissen ondertekende zonder dat hij er erg in had en die verder ook weinig blijvends achterliet. Hij wordt als personage in Dynastie overvleugeld door zijn vrouwen, en vooral door de ontrouwe Messalina, over wie Holland opmerkt: ‘Een vrouw als Messalina, roofzuchtig en bloeddorstig, bracht angst teweeg maar riep ook fantasieën op. Ze was jong, mooi en gevaarlijk: één en al porno.’

De mooiste hoofdstukken bewaart Holland voor Caligula (37-41) en Nero (54-68), die hij beiden in een nieuw licht stelt. Caligula (die zijn naam dankte aan het feit dat hij als jongetje in soldatenlaarsjes, caligulae, in het legerkamp van zijn vader rondliep) is bij hem niet de veelbelovende jonge vorst die na een ziekte in een volslagen krankzinnige veranderde. Hij is een man die van begin af aan vastbesloten is de burgers van Rome tot zijn persoonlijke cliënten te maken en de senatoren te vernederen. Vandaar zijn royale gelduitdelingen en de daad waarvan de roem tot in onze tijd strekt: het feit dat hij zijn paard tot consul benoemde. Holland kan om Caligula’s capriolen wel lachen, hij heeft duidelijk sympathy for the devil en onderstreept dat de wereld nu in elk geval verlost was van ‘het ingenieuze spinsel van de leugens van Augustus en de achterhaalde tradities waar Tiberius zo aan hechtte’.

Romeinse deugden

Ook voor de artistiek begaafde Nero, die onder veel anderen zijn (adoptief)broer, zijn moeder, zijn zwangere vriendin en zijn leermeester vermoordde, legt Holland een heimelijke bewondering aan de dag – misschien als literair personage, maar toch: ‘Zijn eigen leven, met al zijn hoogten en diepten, was net zozeer stof voor drama als de oude mythen. Wie zag hoe hij een glansrol speelde als Orestes, wist dat er behalve Clytaemnestra nóg een moeder was vermoord. Als hij een vrouw in barensweeën speelde, dacht iedereen aan de tragedie die hem zijn troonopvolger had gekost. […] Wat hij hier liet zien was een unieke combinatie van visie, durf en misleiding. Alleen Nero kon dit, alleen hij was in staat om zoiets zelfs maar te proberen.’

Volgens Holland was Nero niet alleen een verdienstelijk zanger, snaarspeler, acteur en stedebouwkundige (denk aan de luxe stad die hij liet bouwen na de brand van Rome), maar ook een soort conceptueel kunstenaar die keek hoe ver hij kon gaan. Heel ver, zo bleek, want zelfs na de moord op zijn moeder (met behulp van een uitklapbaar schip) wist hij het volk op zijn hand te houden: ‘Juist vanwege het bijna bovenmenselijke karakter van zijn misdaad gingen ze hem alleen maar meer bewonderen’. Nero pleegde in 68 zelfmoord, zonder een opvolger of zelfs maar een familielid achter te laten. Het betekende het eind van een dynastie waarover Tom Holland in zijn conclusie opmerkt dat die ‘met bloed en goud een wonderbaarlijke en tegelijk verschrikkelijke geschiedenis had geschreven die het Romeinse volk nooit meer los zou laten.’ Over Holland kunnen we hetzelfde zeggen; je hoeft alleen ‘het Romeinse volk’ te vervangen door ‘de moderne lezer’.

 

Bron: Pieter Steinz, nrc.nl, 23 oktober 2015.

In deze serie van Historiek.net worden de belangrijkste typisch Hellenistische filosofische scholen behandeld: de Cynici, het radicaal Hedonisme, het meer gematigde Epicurisme, de vroege Stoa en de Sceptici. Om het af te sluiten hierbij een samenvatting, waarmee we de hele filosofische discussie van het vroeg-Helleense tijdperk kunnen overzien. Daarbij zullen we ook de filosofieën van Plato en Aristoteles in het overzicht meenemen, want de door hen gestichte scholen zijn ook in de Hellenistische tijd van groot belang. Maar eerst wat meer over de Helleense beschaving als achtergrondinformatie.

 

De Helleense samenleving

In de periode voor het Hellenisme was de Griekse polis een belangrijke entiteit waaraan de Grieken hun identiteit ontleenden. De filosofieën van filosofen uit die tijd, zoals als Plato en Aristoteles, spiegelen zich aan deze polis: de stadsstaat en zijn politiek staat in de filosofie centraal. In de Hellenistisch tijd werd de stadstaat echter overvleugeld door de nieuwe rijken, die weliswaar geregeerd werden door Griekse elites, maar veel grootschaliger waren. Daarbij verloren de stadsstaten waar de directe democratie gevestigd was ook de eigen politieke vorm. De hoofdsteden van de Helleense rijken groeiden daarbij tot veel groter dan de Polis ooit geweest was, en daardoor vormden zij geen eenheden meer waar mensen hun identiteit aan ontleenden.

Plato
Plato

Met het wegvallen van de kleine gemeenschap als culturele kern werden de mensen meer naar binnen en naar zichzelf gekeerd. De cultuur ten tijde van de stadsstaten werd met een opvallende nostalgie verheerlijkt, maar ondertussen was er wel een nieuwe culturele bloei. In de kunst verschoof het accent van de mythologie naar de mensen, wat in de literatuur leidde tot de uitvinding van avonturenroman en de eerste kunstuitingen waarin de echte romantische liefde tussen man en vrouw bezongen wordt. Het gezin werd een belangrijker element in het maatschappelijk leven dan deze ooit geweest was. De beeldhouwkunst van de Helleense tijd ondertussen kenmerkt zich door een grote liefde voor realisme en detail, en ook de architectuur nam een nog hogere vlucht dan deze in de Atheense tijd al had genomen. Tenslotte ontwikkelden in de Helleense periode wetenschappen als wiskunde, astronomie, natuurwetenschappen, geologie en geneeskunde zich sterk, en boekte de technologie een grote vooruitgang. Dit was de wereld waarin de filosofen rondliepen die we tot nu toe bekeken hebben, en het is dan ook vooral een teken des tijds dat zij meer dan hun voorgangers bezig waren met de zoektocht naar het persoonlijk geluk, en zich minder bezig hielden met politiek en metafysica.

 

Verschillende vormen van geluk

In de tijd van het Hellenisme liepen er zoals we zagen veel filosofen rond die Cynici genoemd werden. Dit waren rondtrekkende filosofische kluizenaars die vooral provoceerden, met als doel de maatschappij en beschaving ter discussie te stellen, die volgens hen de mens afleidden van zijn natuurlijke staat van zijn. Zij lieten zich losjes inspireren door filosofische rebellen uit het verleden: zoals Heraclitus, die het leven als kluizenaar volgens de natuur promootte, Socrates, de eeuwige criticaster, en de Cynische filosofen Diogenes, de kruikbewoner, en Crates, de linzeneter. Het geluk ligt volgens de Cynici in het terugkeren naar het simpele animale bestaan.

De hedonistische filosofen komen zoals we zagen grofweg in twee soorten. De Cyreense school van Aristippos was de meest radicale hedonistische school. Voor de Cyreense school staat ‘plezier’ hoger dan ‘geluk’: het laatste is slechts een afgeleide van het eerste. Aristippos rechtvaardigde dit idee met een zeer sceptische houding tegenover kennis. Hij vertrouwt liever op het gevoel.

Epicurus
Epicurus

 

Een meer gematigd hedonist was Epicurus. De wereld is volgens hem een product van toevallige botsingen van atomen, en dat is volgens de Epicuristen een goede reden om niet verder te zoeken naar een zin van het leven. Ook Epicuristen vertrouwen op het gevoel. De rede leert ons echter gevoelens tegen elkaar af te wegen en berekenend op te treden. Om gelukkig te zijn is het volgens hen maar beter als we niet teveel ambities koesteren en een gematigd en teruggetrokken bestaan leiden.

 

En dan de Stoïcijnen. Zij verschillen fundamenteel met Epicurus in hun overtuiging dat er juist géén toeval bestaat. Alles wat gebeurt, gebeurt volgens hen uit noodzaak. Alles hangt samen met alles. Zij stellen dat de natuurwetten redelijk zijn, en daarmee fundamenteel begrijpelijk. Volgens de vroege Stoïcijnen is de zoektocht naar kennis de weg naar het geluk. Zij trekken zich niet terug zoals Epicurus: zij willen de hele wereld begrijpen en haar zo leren te accepteren zoals zij is. Om de wereld te kennen zoeken zij hun heil bij de logica en de wetenschap.

De Sceptici tenslotte stellen dat ieder oordeel tot teleurstelling leidt, en dat oordelen afleidt van de werkelijke zoektocht naar het geluk.

De Helleense stromingen die we zojuist bespraken lieten zich inspireren door andere voorgangers dan Plato en Aristoteles, die zich vooral lieten inspireren door filosofen als Parmenides en Pythagoras, filosofen die zochten naar een onveranderlijke waarheid achter de verschijnselen. De Cynici, de Hedonisten, de Stoïcijnen en de Sceptici zijn filosofen die uitgaan van een veranderlijke wereld. In deze filosofieën wordt met name Heraclites veel aangehaald. Socrates wordt vaak als voorbeeld gezien, maar voor de Helleense filosofen vervult Socrates vooral zijn functie als grote twijfelaar. Zij zien hem niet in de rol van moralist die op zoek is naar Het Goede, de rol die hij in de filosofie van Plato speelt. Ondertussen bleven in de Hellenistische tijd ook de Platoonse Academie en het Lyceum van Aristoteles zeer invloedrijk. Maar ook al gingen de filosofen van die scholen uit van het geloof in een achterliggende hogere vaste waarheid, het waren zelf geen statische bewegingen.

De Platoonse Academie

Vooral de Platoonse school heeft zeer sterke ontwikkelingen doorgemaakt. Plato stelde dat een mens het geluk kon bereiken door zich te wenden tot de wereld van de abstracte vormen, met behulp van rationele kennis. Wat alle Platonisten bindt is dat ze geloven in het absolute goede, dat door de ratio te kennen, of in ieder geval te benaderen valt. Wie de kennis van het goede heeft, is gelukkig.

Maar de Platoonse school bewoog zich in de tijd van het Hellenisme meer en meer in de richting van het scepticisme. We hadden al een voorbeeld van gezien met Carneades, in de vorige aflevering, die de geschriften van Plato opvatte als een oefening in dialectiek en pragmatische kennisverwerving.

In de tijd van de Romeinse keizers, vijfhonderd jaar later, ging het Platonisme weer de compleet tegenovergestelde richting op, en verwerd het tot een aparte filosofie: het Neoplatonisme. Hierin werd Plato zijn filosofie gemixt met inzichten uit de Stoa en de leer van Aristoteles, maar ook met invloeden uit mystieke stromingen, waaronder maar zeker niet alleen christelijke mystieke stromingen. Kennis van het hogere wordt in het Neoplatonisme verkregen door de religieuze ervaring, die volgt op een combinatie van rationele studie en meditatie. Overigens meenden de Neoplatonisten dat zij de juiste interpretatie van de filosofie van Plato gevonden hadden en noemden zij zich gewoon Platonisten.

In de Hellenistische tijd echter nam het Platonisme meer en meer een kritische rol in: zij bekritiseerden de Stoïcijnen met hun stelling dat de mens niet zou kunnen dwalen, en ontwikkelde zich zo richting scepticisme.

De peripatetische school

Aristoteles
Aristoteles

Ook de Aristoteliaanse school, ook wel de Peripatetische school genoemd, naar de Peripatos, de overdekte wandelgalerij waarin Aristoteles gewoon was wandelend les te geven, kende een ontwikkeling.

 

Aristoteles zelf stelde dat het geluk uiteindelijk lag in zelfverwerkelijking. Het doel van de mens was te groeien in de hogere mens-vorm. Volgens Aristoteles is iedere verschijning een streven naar een bepaald doel. Aristoteles’ leerling Theophrastus stelde echter vragen bij de neiging van Aristoteles om alles te beschouwen als doelgericht. De hele teleologische visie van het denken van Aristoteles, zoals het denken in dat alles naar een einddoel streeft genoemd wordt, raakt in zijn school naar verloop van tijd achterop.

De volgelingen van Aristoteles vonden in de leer van hun leermeester echter ook een duidelijk meer pragmatisch beeld van hoe een mens gelukkig dient te worden: in het zoeken naar het juiste evenwicht tussen tegengestelde emoties dat Aristoteles bepleitte. Zo zoekt de Peripatetische school in de Helleense tijd naar het wijze midden tussen bijvoorbeeld overmoed en lafheid, tussen dolheid en zwartgalligheid. Extreme emoties zijn verkeerd, in het midden ligt de wijsheid.

Naast dat de Aristotelische school zich in de Hellenistsiche tijd meer richtte op de deugdenleer dan op het concept van zelfverwerkelijking, hield zij zich vooral bezig met het beoefenen van de logica en de beschrijvende wetenschap.

Het Helleense filosofische debat

De Helleense filosofie is te begrijpen als een continu debat tussen al de genoemde stromingen. De meeste filosofen verklaarden zich tot volgeling van één stroming, en stelden zich behoorlijk onverzoenlijk tegenover andere stromingen op. Door de vertegenwoordigers van de verschillende scholen werden vervolgens heftige polemieken en debatten gevoerd. Deze debatten dienden om de theoretische verschillen tussen de scholen uit te diepen. Absurde stellingen als “kan een mens gelukkig zijn op de pijnbank” werden daarbij serieus behandeld. De Stoïcijnen en de Platonisten vonden van wel, de Epicuristen waren tegen, terwijl de Sceptici alle beweringen van al die anderen belachelijk maakten. Ondertussen hadden de volgelingen van Aristoteles en de Stoïcijnen vette meningsverschillen over wat logica was.

Je zal misschien vinden dat al deze stromingen toch ook veel overeenkomsten hebben. Maat houden, soberheid, evenwicht zoeken: dit zijn zaken die bij de meeste van deze filosofen sterk terugkomen. Op zich niet zo gek, want dit zijn waarden die in de Griekse cultuur sowieso als deugd beschouwd werden. En daarbij is het opvallend dat ook de zoektocht naar het geluk voor al deze filosofen de centrale vraag is. Ze mogen in hun meningen over hoe dat geluk te bereiken valt vaak sterk verschillen, hun onderwerp blijft hetzelfde. Ondanks de felle debatten zit er in de filosofie van het Hellenisme dan ook een sterke gemeenschappelijke lijn.

Zeno de Stoïcijn
Zeno de Stoïcijn

 

Het mag mensen daarom verwonderen dat die filosofische scholen zo onverzoenlijk tegenover elkaar stonden, en niet eerder zochten naar de grootste gemene deler en elkaar opvatten als aanvullingen. Voor wie zich daar zelfs aan ergert, is er goed nieuws. Terwijl de Epicursten met hun vrienden zaten te filosoferen in hun tuinen, de Stoïcijnen en de Sceptici erop los debatteerden met de volgelingen van Plato en Aristoteles, en hier en daar nog een irritante Cynicus opdook om iedereen belachelijk te maken, werden de Helleense rijken in toenemende mate bedreigd door een opkomende macht in het westen: die van de Romeinen. De Romeinen hadden een meer praktische benadering van de filosofie dan de Grieken. Zij zagen minder nut in theoretische debat dan in praktische toepassing van filosofie. Zij hadden dan ook minder moeite met het combineren van de inzichten van de verschillende scholen. Daaruit kwamen dan weer de latere filosofische scholen voort, zoals het Platonisch Scepticisme dat we de vorige aflevering al zagen, de Midden-Stoa die we de aflevering daarvoor al aangestipt hadden, de nog niet genoemde Eclectici, later de late Stoïcijnen, en tenslotte, nog veel later, het Neoplatonisme. Deze stromingen zijn alle te begrijpen als mengvormen van eerdere Helleense scholen. Het enige echt nieuwe element in deze filosofieën is een stukje mystiek, dat mettertijd over kwam waaien met verschillende religieuze stromingen uit het Oosten, wat pas naar voren komt in de late Stoa, en tot wasdom komt in het Neoplatonisme.

 

We kunnen dus rustig stellen dat in de Hellenistische tijd de grond werd gevormd voor de latere filosofie. Daarom is deze filosofie ook zo een belangrijk voor de filosofische geschiedenis, en daarom is het jammer dat in veel overzichten van de filosofie de cynici, de hedonisten, de stoïcijnen en vooral de sceptici meestal maar als voetnoot behandeld worden. Zeker omdat deze filosofen, die vaak een fundamentele scepsis combineerden met een mechanische vorm van denken die ook in onze tijd in zwang zijn, ook interessant zijn voor onze tijd. De vroeg-Hellenistische filosofie vormt een filosofische cultuur waarin fundamentele inzichten over de mens, maatschappij en de natuur tegenover elkaar worden geplaatst, en direct gerelateerd worden aan de vraag wat het best is voor ons welzijn. Daarom zijn deze filosofen de moeite van het bestuderen waard.

Bron: Kees Alders; Historiek.netFilosofie van het Hellenisme, 9 februari 2016.

9200000026077925.jpgNa de herontdekking van schrijver John Williams door de heruitgave van Stoner en Butcher’s Crossing, is het nu tijd voor de uitgave van zijn roman waarvoor de auteur destijds daadwerkelijk erkenning kreeg: Augustus, in 1973 bekroond met de National Book Award, een van de belangrijkste Amerikaanse literatuurprijzen. Weer heel anders in vorm en in onderwerp dan de twee eerdergenoemde romans. In Augustus neemt de auteur de lezer mee naar het hoogtepunt van het Romeinse rijk, in de vorm van een briefroman.

Het is 45 voor Christus wanneer Julius Caesar zijn achterneef onder zijn hoede neemt en als de door hem gewenste opvolger aanwijst. Daarmee begint voor de jonge Gaius Octavius een lange periode waarin hij in het middelpunt van de macht verkeert. Dat gaat niet zonder strijd – en die strijd begint een jaar later al als Julius Caesar wordt vermoord. Samen met zijn vrienden Marcus Agrippa, Maecenas en Salvidienus Rufus zint Octavius op de beste manier om zijn macht in Rome veilig te stellen.

De jonge heerser krijgt te maken met het typische gekonkel, de corruptie en het verraad dat voor altijd aan Rome verbonden lijkt te zijn geweest. Maar het lukt hem om zijn vijanden van zich af te houden, door slimme spelletjes te spelen. Zo stuurt hij rivaal Marcus Antonius naar het oosten, waar die zich kan bezighouden met de Egyptische koningin Cleopatra, totdat de onvermijdelijke slag bij Actium de weg vrijmaakte naar alleenheerschappij. Octavius wordt Augustus, de eerste echte keizer van Rome.

De geschiedenis van meer dan 2.000 jaar geleden zo levendig beschrijven dat het lijkt of je er midden in staat, en dat het dus in zekere zin tijdloos wordt, is nog niet zo makkelijk voor een romancier. John Williams slaagt daar in door zijn roman met afwisselende brieven en dagboekfragmenten op te bouwen, en veelvuldig in de tijd heen en weer te springen. Dat stelt hem in de gelegenheid de gebeurtenissen vanuit diverse gezichtspunten te belichten. Ieder personage heeft zo zijn of haar eigen belangen en interpretatie van de werkelijkheid. Bijzonder is dat iedere brief ook een eigen watermerk heeft, een eigen tone-of-voice en op die manier een inkijkje in de gedachten van de fictieve schrijver geeft. Want fictief zijn ze, ondanks dat het lijkt alsof de brieven zo uit een of ander archief opgeduikeld zijn. Julius Caesar is dwingend – “Stuur de jongen naar Apollonia” -, Marcus Agrippa is analytisch, Maecenas literair, dochter Julia hartstochtelijk, Octavius zelf opvallend beschouwend en nederig.

John Williams verrast in dit boek met onderwerp en stijl – maar dwars door alle brieven en fragmenten heen herken je thema’s uit Stoner en Butcher’s Crossing. Vooral op de momenten waar iets van de doelloosheid doorklinkt, bijvoorbeeld in de woorden van Octavius. “Ik ben ervan overtuigd geraakt dat er in het leven van ieder mens vroeg of laat een moment komt waarop het besef tot hem doordringt, los van wat hij verder ook moge begrijpen en of hij het besef kan verwoorden of niet, van het angstaanjagende feit dat hij, meer dan al het andere wat hij weet, alleen is en op zichzelf staat, en dat hij niets anders kan zijn dan het armzalige wezen dat hij is.” Een zin die net zo goed uit een van zijn eerdere boeken had kunnen komen, maar die in Augustus getuigt van een groot inzicht in het leven van de man aan de top.

Door de vorm, de vele brieven, soms korter, soms langer, duurt het even voordat je gegrepen bent. Maar als dat eenmaal gebeurd is, laten de personages je niet meer los. De verdienste van Williams is dat het leest alsof het zich allemaal gisteren afspeelde, alsof er geen twee millennia tussen ons en keizer Augustus staan. Hij geeft de bekende namen uit de geschiedenis een gezicht, maakt ze menselijk, en dat alles in zijn herkenbare compacte schrijfstijl – die in al zijn beknoptheid rijk is aan beelden en ruimte laat voor interpretatie. Want wie Augustus nu echt was, blijft nog steeds in nevelen gehuld, door al die verschillende schrijvers die aan het woord komen, allemaal met hun eigen belangen, hun eigen doelen en hun eigen karakter.

Augustus / John Williams / Vertaling: Edzard Krol / Lebowski / Paperback: € 19,95 / Ebook: € 12,99

De Romein Gaius was toneelregisseur van keizer Nero, maar ook ontwerper van diens folterkamers. Een theatrale roman met ideeën en avontuur.
   2203300219.jpg 

Ambitieus

De Vlaming Johan de Boose (°1962) is een ambitieuze schrijver. Dat hij groots opgezette romanprojecten niet schuwt, bewees het omvangrijke en opgemerkte ‘Bloedgetuigen’. Dat het nog groter kan, blijkt uit zijn nieuwste roman ‘Gaius’, een Romeinse schelmenroman waarvan de eerste eeuw na Christus het decor vormt. Later volgt nog een tweede deel dat zich in het 14de eeuwse Rusland afspeelt en nog later zullen we in het jaar 2026 belanden. De overkoepelende titel van de trilogie is 'Vloekhout', de dreigende naam voor het folterhout waarop Jezus Christus op Golgotha werd terechtgesteld.

Een verliefde toneelmeester

Jezus of Jesjoea kwam uit Nazareth, net als het hoofdpersonage Gaius. De toneelmeester en de profeet ontmoetten elkaar in een joods bordeel waar ze allebei dingen naar de gunsten van de onweerstaanbare hoer Maria Ana, die de lezer aan de Bijbelse Maria Magdalena herinnert. Gaius is gefascineerd door de mooie vrouw die zich in de nieuwe christelijke kringen beweegt. Hun relatie verstart mettertijd maar Gaius verlaat zijn geboortestreek met de dood in het hart: omdat hij Maria Ana moet verlaten en omdat hij vreest wat hem in Rome te wachten staat.

Keizer Nero heeft de bekende regisseur naar de hoofdstad geroepen. En dat kan roem betekenen, of een wrede lotsbestemming, of allebei. Gaius is een angstig man die het einde van de wereld of een tijdperk aanvoelt en daarom ook“de viseters” of christenen zowel verafschuwt en vreest als bewondert.

Op weg naar Belgica

De roman van Johan de Boose vangt aan als Gaius uit de ondergrondse gevangenis van Nero ontsnapt. Zijn enige bezit is een fiool met gif en een stuk “heilig” kruishout, dat hij maar niet kan achterlaten. Zijn vriend, de schrijver Petronius stuurt hem naar de kille noordelijke provincie Belgica. Daar wordt hij in een winterse kou door Crapularius ontvangen, een wapenhandelaar met pensioen én met keizerlijke connecties, die een villa betrekt in Aginahamma (Ename?) aan de boorden van de Schelde. De villa is een doolhof met geheime kelders wat ‘Gaius’ tot een gothische roman met thrillerallures maakt. Maar Crapularius, een amorele “hoedenfreak” en perverse hedonist wil, omringd door berenwelpen en lustknapen, graag de verveling verdrijven met het verhaal van Gaius’ omzwervingen, wat in deze roman voor een stevige reis- en schelmendimensie zorgt.

Decors en foltertuigen

Op weg naar Rome trok Gaius van Ephese en Pergamon naar Athene. Het panorama van de Oudheid is er een van vuil, pest, armoe, losbandigheid en geweld. Het maakt een mensenleven tot iets zeer broos, wat de angstige en twijfelzuchtige Gaius niet ontgaat.

Hij voelt zich aangetrokken tot de hedonist Petronius (“wuft en wulps” en talentrijk), die hij, met nieuwe ideeën voor zijn ‘Satyricon’, van een writer’s block bevrijdt. Hij leert de filosoof en leraar van Nero, Seneca kennen en zijn stoïcijnse idee van “apatheia”, een aangekweekte en deugdzame ongevoeligheid tegenover onrecht en dood. En altijd is er de liefde voor Maria Ana en de haat-liefde voor de sekte van de “visaanbidders”. Een splinter uit het vloekhout verzweert niet alleen in zijn hand maar ook in zijn angstige ziel.

Gaius bouwt niet alleen theaterdecors voor de wrede en wellustige Nero maar ook ingenieuze foltertuigen voor de kelders van Nero’s nieuwe en megalomane paleis, Het Gouden Huis. Hij is een collaborateur met een slecht geweten en met een wurgend besef van rampen en ondergang.

Een nihilist met een slecht geweten

Gaius is een begenadigd toneelregisseur met een grote bewondering voor de Grieken. “In deze wereld was het theater ontstaan, dat de mens in staat stelde om af te dalen in de oceaan van het onderbewuste, waar wezens wonen die verleidelijk mooi zijn en tegelijk boodschappers zijn van angst, waanzin en dood.” Maar het tragische bewustzijn van de Grieken is bij de post-republikeinse Romeinen een spel met mime en maskers geworden. En daarachter schuilt een verschrikkelijke leegte die hem angstig maakt. De esthetiek van Gaius is er een van nihilisme, wreedheid en angst. Het apocalyptische christendom dat hem ook hautain en zelfgenoegzaam overkomt, scherpt zijn onrust aan. De gewetenloze maar intelligente Crapularius schat zijn gast perfect in: “Ik bewonder hoe je over de nietigheid van de sterveling en over de zwendelarij van de godsdienst spreekt terwijl in jouw brein het onherroepelijke einde nadert en er op elk moment een godheid van achter het gordijn van wolken kan opduiken die je inviteert voor een gewetensonderzoek in de kelder van de beul.”

Anachronismen

Gaius lijkt jonger dan hij is. Johan de Boose moet hem zowel met Jezus als Nero in contact brengen. Ook praat hij met Petronius en zelfs met “biograaf” Lucius Plutarchus die inderdaad als priester was verbonden aan het heiligdom in Delphi. Het is vaak een zwak punt in een historische roman als historische figuren per se in elkaars gezelschap gebracht moeten worden en als historische poppen zelfbewust gaan praten. Komen daar nog de christenvervolgingen, de brand van Rome en de verwoesting van Pompeji bij. Het kan geforceerd lijken, maar dit is een theatrale roman, met hier en daaranachronistische grapjes. Oordeel u zelf maar. De term “gesubsidieerd toneel” klinkt op zijn minst ongewoon in een roman over het oude Rome. De sekspartijen van Nero worden met een zogenaamd Oosters importwoord “bunga bunga” getypeerd. De uitdrukking is in 1910 of wat vroeger opgedoken en wij associëren het natuurlijk met een andere machtige en wellustige Romein, “a lesser Nero”. En het Delphi orakel voorspelt vaagweg het gebruik van de mobiele telefoon.

Ideeën en avontuur

Gaius is een roman die ideeën en avontuur verenigt. De wereld van de vuilspuitende satiricus Martialis of de flatulerende Plautus roept ook moderne literaire echo’s op. Decadente verfijningen en wrede perversies herinneren onvermijdelijk aan Joris-Karl Husmans en de markies van Sade. En het gevreesd ‘eindspel’ vind je zowel in de Apocalyps als bij Samuel Beckett. Deze Romeinse toneelmeester kent in elk geval de klassieken van de toekomst. Dit is slechts het eerste deel van een trilogie, maar één zaak zal de lezer duidelijk zijn: de onrust en verwarring, net als de troebele esthetiek van Gaius moet zijn 21ste-eeuwse schepper Johan de Boose niet helemaal vreemd zijn.

Bron: Johan De Haes; cobra.be

Johan De Boose over 'Gaius'

[Gaius van Johan De Boose is uitgegeven bij De Bezige Bij Antwerpen]

Na de laatste gaswolken was echt al het leven verdwenen

1/2007De wegen tonen diepe groeven van de ezelskarren die er dagelijks doorheen reden. Op de muren staan ordinaire krabbels over liefde, seks, brood en spelen. Net als Hiroshima hebben Herculaneum en Pompeii hun bekendheid vooral te danken aan een gruwelijk einde. Maar de opgravingen in de twee steden onthullen veel over het dagelijks leven in de Romeinse samenleving.
>> Bekijk een themapagina
over de Romeinen



In 79 n.Chr. vond een van de grootste natuurrampen van de Oudheid plaats. De top van de vulkanische berg Vesuvius explodeerde met een verwoestende knal en in een kleine vierentwintig uur werden de steden Pompeii en Herculaneum bedolven onder een dikke laag as, puimsteen, modder en lava. Bij opgravingen in de achttiende en negentiende eeuw ontdekten archeologen twee volledig gaaf gebleven steden waar het verleden meer dan elders geconserveerd was. 

Net als Hiroshima hebben Herculaneum en Pompeii hun bekendheid vooral te danken aan een gruwelijk einde. De steden waren welvarend, maar in het toenmalige Romeinse Rijk onbelangrijk. Wat we kunnen leren en ontdekken in de twee vergane stadjes betreft voornamelijk het dagelijks leven in een Romeinse stad aan het begin van onze jaartelling. 


Onbezorgd en luxueus

Wie nu in de opgegraven nauwe steegjes loopt krijgt de indruk dat de bewoners onbezorgd en luxueus leefden. Er zijn prachtig versierde badhuizen met kleurige wandschilderingen, ruime taveernes, woonhuizen met gedetailleerde fresco's - vaak in felle, dure kleuren. Pompeii en Herculaneum leefden van akkerbouw en fruitteelt op de zeer vruchtbare bodem aan de voet van de vulkanische berg. Uit de opgravingen blijkt dat vlak voor de uitbarsting bloeide en groeide, gezien het feit dat er in die laatste jaren veel ruime en luxe woningen bij werden gebouwd met een schitterend uitzicht op zee. Herculaneum was een soort vorstelijk onderkomen voor de welgestelde Romein. Volgens de filosoof Seneca had bijvoorbeeld keizer Tiberius (die regeerde tussen 14 en 37 n.Chr.) er een buitenverblijf. 

Het moet er weliswaar rustig zijn geweest, maar geen van beide steden maakte een dorpse indruk. Pompeii telde voor de vulkaanuitbarsting zo'n 10.000 inwoners, Herculaneum ongeveer 4000. Daar stonden ook gebouwen met verschillende bovenwoningen en verdiepingen. Deze 'flats' uit de eerste eeuw na Christus gaven de plaats toen al een stedelijk uiterlijk. Op de bovenverdiepingen, toegankelijk via trappen 'buitenom', woonden de iets minder bedeelde Romeinen, die het zonder keuken of binnenplaats moesten doen. Zij leefden niet in aparte 'arme' wijken, maar in de directe omgeving van de rijkere Herculanese bevolking. 


De 'flats' van Herculaneum gaven de plaats een stedelijk uiterlijk


Ook de slavensamenleving is niet duidelijk zichtbaar, omdat slaven als onderdeel van het huis niet apart of elders werden gehuisvest. Zij waren een deel van de familia. In Pompeii en Herculaneum vind je geen arme krotwoningen, zoals die in het antieke Rome bestonden. Maar dit zegt weinig: krotwoningen werden gemaakt van slap en vergankelijk materiaal en wellicht hebben ze de lavastromen en asregens niet weerstaan.

De aanblik van Pompeii of een rondgang door het opgegraven deel van Herculaneum is in alle opzichten een historische sensatie. Het beeld van een rijke stad, verzengd door de lava en gloeiende as, wordt nog menselijker door de duidelijk zichtbare sporen van levende bedrijvigheid. In de straten van Pompeii en Herculaneum zijn winkels, eetgelegenheden en ruime theaters of tempels te zien. De wegen tonen diepe groeven van de ezelskarren die er dagelijks doorheen reden, waarschijnlijk volgeladen met zuidvruchten, olijven of noten. Op de muren staan inscripties van aanhangers en tegenstanders van kandidaten voor het consulschap. En die worden weer omringd door ordinaire krabbels over liefde, seks, brood en spelen: 'Wat mij betreft, Chius, laat je je aambeien nog eens wrijven, opdat ze nog langer in brand zullen blijven', en: 'Mijn liefste, vaarwel, vaarwel!' Die menselijke bedrijvigheid in twee doodnormale stadjes bevroor in 79.


Gigantische dreun

Een grote aardbeving in 62, die is beschreven door Seneca in zijn Naturales Questiones, was de dreigende voorbode van de fatale ramp. Niemand kon toen echter voorzien wat er zeventien jaar later zou gebeuren. Omdat de Vesuvius al in geen eeuwen meer was uitgebarsten hadden de bewoners van de pittoreske baai van Napels nog geen idee welke doem er over hun steden lag. 

Op 24 augustus 79, rond het middaguur, werden de bewoners van Herculaneum en Pompeii opgeschrikt door een explosie bij de vulkaan. De Romeinse historicus Cassius Dio beschrijft hoe 'een gigantische en plotse dreun werd gehoord, alsof de bergen werden neergeslagen, de een op de ander. Stenen werden uitgespuwd en ze bereikten de hoogste pieken in de lucht en een immense hoeveelheid van vuur en rook ontsnapte aan de krater.' 


"Een gigantische en plotse dreun werd gehoord, alsof de bergen werden neergeslagen, de een op de ander"


Dit werd ook opgemerkt aan de andere kant van de baai van Napels, zoals we kunnen lezen in de teksten van Plinius de Jongere, die in een brief aan de historicus Tacitus minutieus verslag doet van de gebeurtenissen. Hij was zelf geen ooggetuige, maar kreeg via via de beschrijvingen in handen van zijn overleden oom Plinius de Oudere, die op de bewuste dag van Misenum naar Stabiae voer. 

'Mijn oom was in Misenum, toen mijn moeder hem erop attent maakte dat zich een wolk vertoonde van ongewone omvang en eigenaardige vorm. Hij liet zijn schoenen brengen en klom op een hoger gelegen punt, vanwaar dat zonderlinge schouwspel het beste zichtbaar was. Mijn oom, man van de wetenschap, achtte het verschijnsel van grote betekenis en de moeite waard om het van dichtbij te bestuderen.' Een kennis van Plinius de Oudere die een landgoed bezat aan de voet van de Vesuvius riep zijn hulp in. Hij aarzelde geen ogenblik en ging erop uit. 

Onderweg over de baai van Napels viel er steeds meer as uit de lucht, die heter en dichter werd naarmate het schip de plek des onheils naderde. Later viel ook puimsteen (kleine lichte lavasteentjes) op de boot. Door zwarte rookwolken voer Plinius de Oudere naar Stabiae. Als we de brieven moeten geloven, vonkte en sproeide het op de top van de Vesuvius, maar bij aankomst besloot Plinius eerst van een bad en een goede maaltijd te genieten. 

Na Plinius' middagdutje bleek de as al zo hoog te staan dat het gezelschap zich moest verwijderen uit Stabiae. De mensen in zijn gezelschap bonden kussens op het hoofd om zich te beschermen tegen de aanhoudende as- en puimregens. Hoewel de wetenschapper in alle rust observeerde en dicteerde, moet het zwart van de rook en de as hebben gezien toen het gezelschap op het strand een toevlucht zocht. 

Daar werd de zwaarlijvige oude Plinius, ondersteund door twee slaven, getroffen door een giftige (gas)wolk en zakte hij voorgoed in elkaar. 'Toen het daglicht was teruggekeerd - dat wil zeggen, de derde na de laatste dag die hij aanschouwd heeft -, heeft men zijn lichaam gevonden, ongeschonden en ongekwetst, in de kleding die hij had gedragen. De houding waarin hij lag, deed meer denken aan een man die slaapt dan aan een dode.' Daarmee besluit Plinius de Jongere zijn brief aan Tacitus.


Vastgeketende slaven

Over de situatie in Pompeii vertelt Plinius niets, maar daarvoor kunnen we ons verlaten op de kennis van archeologen en vulkanologen. Omdat de as poreus was, ontbonden de lichamen van de omgekomen bewoners van Pompeii, maar bleven hun beenderen en de afdruk van hun lichaam in de as bewaard. Door die holtes in het gesteente op te vullen met gips konden de overledenen in een pijnlijk herkenbare staat worden gereconstrueerd. Hun lichamen vertellen de rest van het verhaal. 

De asregens in Pompeii moeten erger zijn geweest dan in Stabiae, waar Plinius zich bevond. Zij die buiten werkten vluchtten naar binnen en degenen die binnen waren verscholen zich. De as hoopte zich op en werd aangevuld met kleine puimsteentjes. De meeste mensen stierven direct als ze de giftige gasdampen inademden. Lange tijd dachten archeologen dat mensen waren omgekomen door verstikking in de as. Dat is dus niet het geval geweest; de meesten werden gedood door giftige gassen die vrijkwamen en zijn pas daarna bedolven.  

 

De meeste mensen kwamen om door giftige gassen die vrijkwamen


Degenen die het gas overleefden vonden wél een gruwelijk einde: op de vlucht werden zij bedolven onder brokken lavasteen en daarna ingesneeuwd in verstikkende asregens. Aangrijpend zijn de vondsten van vastgeketende slaven die in een wanhopige en pijnlijke doodsworsteling gestorven zijn. Ook de beenderen van vastgemaakte honden stonden in een verwrongen en verkrampte houding. Hun laatste uren moeten verschrikkelijk zijn geweest. In het huis van de Vestaalsen in Pompeii is een hond naast zijn baas gevonden. Wie het eerst stierf is niet bekend, maar in ieder geval is duidelijk te zien dat de hond vlees van het lichaam van de man af geknaagd heeft. 

Degenen die nog niet waren bezweken, vluchtten naar de hoger gelegen gedeeltes van de stad of de bovenverdiepingen van hun huis, omdat de benedendeur door as en puim was geblokkeerd. In de nacht van 24 op 25 augustus verminderden de asregens, maar van opklaring was 's morgens nog geen sprake: 'Het was alweer dag, maar de nacht regeerde, donkerder en dieper dan welke andere nacht,' schrijft Plinius. In de ochtend vloeiden golven van gas en as over de stad en ook de laatste vluchtelingen werden gedood. Een vrouw, met haar dochtertje in haar armen, werd geveld in de tuin. Na de laatste gaswolken was echt al het leven verdwenen uit Pompeii.

Aangezien er in het nabijgelegen Herculaneum veel minder lijken werden gevonden, denken archeologen dat veel bewoners uit voorzorg tijdig gevlucht zijn. De wind stond vanuit het noorden, waardoor de asregens naar Pompeii werden geblazen en Herculaneum aan de voet van de berg pas later werd getroffen. Uit de tekst van Plinius blijkt dat de zee terugdrong en dat grote stukken land droog kwamen te liggen: 'De kustlijn was opgeschoven en veel zeedieren waren op het drooggevallen zand vast komen liggen.' Mogelijk zijn de bewoners van Herculaneum over drooggevallen stukken land weggevlucht. 

Binnen zeer korte tijd werd Herculaneum volledig bedolven, maar niet door as. De Vesuvius braakte onnoemelijk hete stoomwolken uit die in kokende regens neerdaalden op de modder - die ging schuiven en veranderde in een gloeiende stroom. Met 100 kilometer per uur rolde die kokende massa (400 graden Celsius) over de gebouwen van Herculaneum. De achtergebleven mensen in het verlaten stadje werden verzengd door de hitte en stierven direct. 
 

Een kokende massa modder (400 graden Celsius) rolde over de gebouwen van Herculaneum


Interessant is dat Herculaneum door de modderlava als het ware geseald is. Uiteraard stortten vele huizen in door de druk, maar andere woningen werden als een bakvorm helemaal gevuld. Zo stroomde de modderlava door de deuren en ramen naar binnen en vulde de kamers zonder iets aan het interieur te veranderen. Hout en organisch materiaal werden getransformeerd, maar in goede staat behouden. 

Hierdoor vonden archeologen eeuwen na dato houten wiegjes terug, evenals stoffen, kasten, beelden van huisgoden en zelfs eierschalen, broden en bonen. Een zieke jongen was achtergelaten in de winkel, met naast hem een gebraden kip die klaarstond voor het middagmaal. In een andere winkel troffen archeologen zo'n 60 kilo tarwe aan. Herculaneum was een volledige geconserveerde Romeinse stad - onder 25 meter hard gesteente.


Levend gekookt

Na de fatale dag bleef het eeuwen stil in de ondergrondse, slapende steden. De Italiaanse boertjes maakten dankbaar gebruik van de uiterst vruchtbare grond aan de voet van de Vesuvius. De gewassen konden een paar keer per jaar worden geoogst. Sommigen wisten weliswaar vaag wat er diep onder de grond verborgen was, maar niemand voelde de behoefte eens een schep in de aarde te steken. 

Pas in de achttiende eeuw kregen de Napolitaanse koningen van de Bourbon-dynastie het idee om de beelden van de herontdekte stad Herculaneum naar boven te halen. Aanvankelijk waren ze vooral geïnteresseerd in de beelden, kunstvoorwerpen en wandschilderingen. Daar kon de koning mee pronken en zijn interieur mee opsieren. De schachten naar het verborgen Herculaneum werden vaak dichtgegooid als alles van waarde opgehaald was. 

Zo ging het niet met Pompeii. In 1755 besloot het Napolitaanse gezag om het geheel opgegraven stadje open te stellen voor het publiek. Voor de achttiende-eeuwers werd dit opgravingsterrein een uniek historisch themapark, een soort Archeon avant la lettre. Chique dames lieten zich tussen de eeuwenoude straatjes portretteren in de mooie historische ambiance. Tijdens de Grand Tour, een soort schoolreisje voor welgestelde, jonge Britten, deden zij standaard Pompeii aan. 

In de negentiende en twintigste eeuw zou de Vesuvius nog verschillende malen uitbarsten, onder andere in 1872, 1929 en in 1944. Tussen die rampen door werden er opgravingen verricht en kwamen toeristen en reizigers in steeds groteren getale naar vooral Pompeii, dat bekend was geworden als een spannende historische attractie. Herculaneum bleef het 'kleine neefje' van Pompeii, vooral ook omdat je in diepe schachten moest afdalen om een glimp van het slechts gedeeltelijk opgegraven amfitheater te kunnen opvangen. 

 

Pompeii groeide uit tot een spannende historische attractie


Pas in 1982 deden archeologen weer een vondst, die daadwerkelijk nieuwe kennis opleverde over de laatste uren van Herculaneum. Tijdens onderzoek naar de antieke kustlijn vonden ze twaalf boten met daarin zo'n driehonderd slachtoffers van de vulkaanuitbarsting. De lichamen werden net als in Pompeii aangetroffen in een verkrampte houding. Dat zou kunnen wijzen op eenzelfde dood door giftige gaswolken als in Pompeii. Dat bleek niet het geval. 

De bootvluchtelingen werden op het fatale moment blootgesteld aan een dermate intense hitte dat ze levend werden gekookt. De borrelende lichamen werden ontvleesd op het moment dat de modderlava eroverheen stroomde. Het is om die akelige reden dat de contouren van de lichamen niet kunnen worden gereconstrueerd door gipsafgietsels. Uit de opgravingen kregen de archeologen informatie over de snelheid waarmee dit gebeurde. Hoewel de lichamen werden verzengd, bleven de botten bestaan, zij het in een getransformeerde substantie. Terwijl de mensen nog in wanhoop hun armen voor het gezicht hielden was het leed al geschied. Hoe gruwelijk hun einde ook was, zij hebben niet lang geleden. 

De vondst bracht nieuwe kennis over de gezondheid en leefwijze van de laatste bewoners van Herculaneum. De lichamen in Pompeii waren aan zuurstof blootgesteld en daarom vergaan. In Herculaneum daarentegen waren de botten sinds 79 niet meer met de buitenlucht in aanraking geweest en leverden ze nieuwe medische informatie op. 

Onder de bootvluchtelingen waren opmerkelijk veel ouderen en kinderen, maar ook huisdieren als honden en paarden. Mogelijk was dit een vergeten groepje vrouwen en kinderen, die eigenlijk eerst hadden moeten worden geëvacueerd. Het kunnen ook de arme mensen zijn geweest, die geen recht of mogelijkheid hadden om snel te vluchten. Onderzoek van de botten toont aan dat de bootvluchtelingen hard hadden gewerkt: ongeveer de helft van de slachtoffers had het lichaam overbelast vanwege zware arbeid. Ook beenderen van kinderen tussen vijf en acht jaar toonden de gevolgen van zware lichamelijke arbeid. Erg gezond waren de vluchtelingen niet: op sommige schedels werden de gevolgen van hoofdluis geconstateerd; anderen leden aan infectieziektes en tuberculose.


Waterleiding

Die longaandoeningen waren veroorzaakt door de ongezonde sfeer in de huizen van Herculaneum: olielampjes walmden door het huis als het buiten donker was en het vuur werd met kolen opgestookt om te koken en het huis te verwarmen. Dat de Romeinen voor hun tijd luxueus leefden wil nog niet zeggen dat de omstandigheden ook meteen hygiënisch en gezond waren. Interessant is dat in Herculanese huizen ook keukens aanwezig waren. De ontdekking leverde nieuwe informatie over het huiselijke leven; burgers kookten of lieten thuis koken. Sommige huizen hadden behalve keukens ook aansluiting op een waterleiding, die stromend water leverde uit grote tonnen op hooggelegen punten in de stad! 

Niet iedereen deelde natuurlijk in zulke 'moderne' rijkdom. Wie niet was aangesloten op de waterleiding, haalde het water elders uit putten of tonnen. En wie niet thuis kookte, ging naar de winkel om iets te kopen. Aangezien er veel winkels zijn gevonden in de steden, is het waarschijnlijk dat die ook als eetgelegenheid werden gebruikt. Ze deden dienst als een soort snackbars waar je een snelle hap kon krijgen. 

Veel romantische reizigers in de achttiende en negentiende eeuw keken neer op dergelijk historisch onderzoek naar het dagelijks leven en de gebruiksvoorwerpen van de Romeinen. Zij zochten de grandeur van de Oudheid, niet de potten en pannen van de keukenslaaf. Maar de historische sensatie zit 'm juist in het feit dat de afgietsels in doodsnood in de eerste plaats gewone mensen waren, die net als wij kookten, plezier hadden en doelloos keuvelend rondwandelden.

Afbeelding: reconstructie van Pompeii 

Bron: Guido van Hengel; Historisch Nieuwsblad.

9200000002271496.jpgMarcus Aurelius (121-180) geldt, naast zijn voorgangers Augustus en Trajanus, als een modelkeizer. Hij zou de laatste 'goede' vorst zijn geweest; met het keizerschap van zijn zoon Commodus trad volgens de traditie het verval in. Dit beeld leeft tot in onze dagen voort en zien we terug in bijvoorbeeld de blockbuster Gladiator (2000).

Marcus Aurelius was echter een man met twee gezichten: behalve nobele vorst was hij ook een pragmatisch heerser die verantwoordelijk was voor brute christenvervolgingen. Zijn meedogenloze optreden tegen de barbaren in Midden-Europa zou hem tegenwoordig voor het Internationaal Strafhof in Den Haag hebben gebracht.

Anton van Hooff schetst niet alleen de diverse kanten van keizer Marcus' persoon, maar plaatst hem in het cultuurpatroon van zijn tijd. Aurelius draagt de tegenstellingen van zijn tijd in zich, de tijd waarin Oud-Romeinse waarden botsen met toenemende vergeestelijking.

Anton van Hooff (1943) was tot 2008 hoofddocent klassieke geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij publiceerde onder andere over Caesar, Polybius, banditisme, Spartacus en zelfdoding in de Oudheid. Hij schrijft voor diverse kranten en tijdschriften en  geeft lezingen over onderwerpen uit de klassieke geschiedenis. Sinds zijn pensionering doceert hij klassieke talen aan het Stedelijk Gymnasium Nijmegen.

In 2010 verscheen van zijn hand Nero & Seneca, despoot en de denker. Hierin schetst Anton van Hooff prachtig hoe de levens van de keizer en de filosoof eerst nauw met elkaar verbonden waren maar gaandeweg verder van elkaar verwijderd raakten. Athene, het leven van de eerste democratie, verscheen in 2011. Dit boek gaat over het unieke systeem van volksmacht, de democratische levensvormen en de weergaloze, ‘klassieke’ cultuurvormen die na vijfentwintig eeuwen nog steeds stof tot nadenken en genieten geeft.

In februari verscheen het boek Cultuurgeschiedenis van de oudheid, samengesteld door Nathalie de Haan en Stephan Mols, onderzoekers aan de Radboud Universiteit. Tweeëneenhalf jaar werkten zij aan dit boek, dat de cultuur (breed opgevat) behandelt van het hele mediterrane gebied van de twaalfde eeuw voor  Christus tot de late oudheid. 

omslag Cultuurgeschiedenis van de OudheidNathalie de Haan (Oude geschiedenis) en Stephan Mols (Klassieke archeologie) maaktenCultuurgeschiedenis van de oudheid in opdracht van de faculteit Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit, die behoefte had aan een goed handboek  over antieke cultuur. Maar ook voor wie die studie niet volgt en wel in de cultuur van de oudheid is geïnteresseerd, is het een aanwinst.

Zo'n boek was er nog niet
Want gek genoeg was zo'n boek er tot op heden niet. 'Ook niet in andere landen. De geschiedenis van de oudheid wordt meestal behandeld als politieke of militaire geschiedenis', aldus De Haan. 
Boeken over Romeinse kunst of Griekse architectuur zijn er ook wel, maar een boek dat de hele cultuur rond de Middellandse Zee van de vroege tot de late oudheid behandelt -  ook dat is nieuw.

Ruim cultuurbegrip
Mols en De Haan hanteren voor hun boek bovendien een ruim cultuurbegrip. 'We wilden geen "best of de klassieken" maken, maar een beeld oproepen van de leefwereld en het wereldbeeld van mensen in de oudheid. Daarom hebben we naast onderwerpen als beeldende kunst, architectuur, literatuur en muziek ook religie, wetenschap, filosofie en zelfs  economie  en bestuur opgenomen', aldus Mols. Om dat hele spectrum te bestrijken, werkten  naast De Haan en Mols 22 auteurs mee aan het boek; velen van hen zijn gepromoveerd en/of werkzaam aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Twaalf thema's, twaalf steden
Het boek behandelt twaalf thema's en brengt die in verband met twaalf steden. Mols: 'Omdat alles om de Middellandse Zee draait, opent het boek daarmee. Vervolgens wordt elk thema ingeleid door een stadsportret. Op die manier behandelt het boek de ontwikkeling door de tijd en brengen we de hele mediterrane samenleving letterlijk in kaart.' Het boek eindigt in het vijfde-eeuwse Ravenna, opmaat voor een hoofdstuk over de doorwerking van de oudheid tot op heden. 
De keuze voor steden als ijkpunten in de geschiedenis heeft nog een reden, vertelt De Haan: 'Weliswaar leefden de meeste mensen in de oudheid op het platteland, maar er was sprake van een "urbaan ethos". Ofwel: de stedelijke cultuur zette de toon.'
   

Nathalie de Haan en Stephan Mols (red.)
Cultuurgeschiedenis van de oudheid
Zwolle: Wbooks, 2012
Prijs: € 49,50

 

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: