Wee de overwonnen - Alexander van de Bunt

Geplaatst op maandag 28 december 2020 @ 18:24 , 214 keer bekeken

 

In Wee de overwonnenen - Germanen, Kelten en Romeinen in de Lage Landen vertelt de talentvolle archeoloog Alexander van de Bunt het verhaal van de vroege bewoners van onze streken. Wij kennen deze volkeren vooral door de ogen van de Romeinen, met name via Julius Caesar en Tacitus. Maar wie waren de bewoners van de Lage Landen? Wat waren hun gebruiken? Welke taal spraken ze? Welke goden vereerden ze? En vooral: waar kwamen ze precies vandaan? Op levensechte wijze beschrijft Alexander van de Bunt vele cruciale gebeurtenissen, zoals de Slag bij het Teutoburgerwoud en de Bataafse Opstand. Hij schrijft over de relatie tussen Germanen, Kelten en Romeinen en laat zien dat globalisering en migratie van alle tijden zijn. Wee de overwonnenen is een diepgravend boek voor iedereen die meer wil weten over de Bataven, de Friezen, de Cananefaten en andere stammen in het huidige Nederland en België rond het begin van de jaartelling.

 
Op zijn weblog Mainzerbeobachter schreef Jona Lendering er het volgende over:

Het boek van Alexander van de Bunt over de vestiging van het Romeinse gezag in de Lage Landen, Wee de overwonnenen, begint met Tacitus. Alexander legt uit dat zijn Romeinse voorganger veel heeft geschreven over onze contreien – Tacitus zal regelmatig terugkeren in het boek – en dat die teksten de beeldvorming over Romeins Nederland sterk hebben bepaald. Terecht wijst Alexander er vervolgens op dat we Tacitus niet al te serieus moeten nemen. Hij was een man van zijn tijd. Hij had een agenda. En vooral: hij schreef niet om onze vragen te beantwoorden.

Omdat Tacitus geen wetenschapper is en ook geen historicus in de normale betekenis van dat woord, moeten we zijn informatie – vertekend, verdraaid – vergelijken met andere gegevens en Van de Bunt wijst terecht op de archeologie. Dat geldt vanzelfsprekend voor alle antieke auteurs. We moeten ze toetsen. Als het gaat om Strabons beschrijving van de rauwe rituelen van de Germaanse Kimbren wijst Van de Bunt bijvoorbeeld op de Man van Grauballe, een Deens veenlijk waarvan de keel is doorgesneden. Van Plinius’ beroemde beschrijving van de terpenbewoners uit het Waddenzeegebied vertelt Van de Bunt dat ze hun woonplaatsen niet hadden gebouwd uit armoede, maar als reactie op de getijden. Soms klopt antieke informatie, soms niet, en je moet kritisch blijven.

Een discussie zonder eind

Een overzicht van het aanbreken van de Romeinse periode in Noordwest-Europa bestaat dus voor een deel uit het vergelijken van teksten en vondsten. En omdat er steeds meer vondsten zijn, omdat er soms nieuwe teksten opduiken, omdat er desondanks altijd te weinig informatie zal zijn en omdat onze vragen aan het verleden voortdurend veranderen, gaat dit vergelijken eindeloos door. Er is steeds een nieuw beeld van de overgang van Prehistorie naar historie. Geschiedenis is nu eenmaal een discussie zonder eind.

Daarom bestaat het definitieve overzicht van Romeins Nederland niet. Het kan niet bestaan. Eigenlijk is het een estafette. Op De Romeinen in Nederlandvan W.A. van Es volgde Romeins Nederland van Evert van Ginkel en Saskia van Dockum, waarop Arjen Bosman en ik het estafettestokje overnamen met De rand van het Rijk. Nu is het stokje de beurt voor Van de Bunts Wee de overwonnen.

Wie die boeken leest, herkent in het eerdere vaak de aanzetten van het latere. Er moeten in Van de Bunts boek dus stukken zijn waarover nu nog discussie bestaat maar die straks, als de volgende estafetteloper zich aandient, als onaantastbare feiten gelden. En omdat Wee de overwonnen een goed boek is – ik zeg het maar even, opdat u niet denkt dat het niet zo is – kunnen we vermoedelijk al wat dingen aanwijzen.

Een nieuw Romeins Rijk?

Om te beginnen denk ik dat onze opvatting van het Romeinse Rijk gaat veranderen. De reden is de enorme nadruk die de laatste jaren wordt gelegd op de limes, de reeks forten langs de Rijn. Dat het Romeinse Rijk een grens heeft gehad, terwijl de Romeinen met hun woord imperium een invloedssfeer bedoelden, is een negentiende-eeuws idee. Toen werden de nationale staten gecreëerd, met centrale regeringen, hoofdsteden, reguliere belastingen, staande legers en gedefinieerde grenzen. Allemaal niet vanzelfsprekend in de oude wereld.

Het momenteel lopende project om de limes tot werelderfgoed te maken kan heel goed leiden tot bewustwording van het feit dat het Romeinse imperium geen territoriaal afgebakende eenheidsstaat was maar een invloedssfeer en het is leuk te zien dat Van de Bunt al vooruitwijst naar zo’n vernieuwd beeld, bijvoorbeeld als hij aangeeft dat de invloed in de materiële cultuur reikt tot in Scandinavië. Correspondeert dit met politieke invloed? Er is discussie mogelijk over de vraag hoe politieke invloed valt af te leiden uit de materiële cultuur.

Het is óók denkbaar dat het limesproject het negentiende-eeuwse idee van een territoriaal begrensde staat helpt verankeren in het collectieve bewustzijn. Ik geloof in de wetenschap en wil hopen dat uiteindelijk de eenentwintigste eeuw wel zal winnen van de negentiende, maar het hoeft de einduitkomst niet te zijn. Wie weet waar we over tien jaar staan.

Meer data

Een tweede ontwikkeling waardoor ons beeld van Romeins Nederland gaat veranderen is de groei van het databestand. Er zijn steeds meer vondsten. Interessant is momenteel Krommenie, waar een Romeinse wachttoren is gevonden, vér benoorden de limes. Even verderop is de vlootbasis van Velsen. Volgens de gangbare visie heeft die bestaan van 16 tot 28, is het gebied toen ontruimd – een spannend verhaal in Van de Bunts boek – en keerden de Romeinen terug in 40 tot 47, maar het lijkt erop dat de Romeinen tussen 28 en 40 wel degelijk aanwezig zijn gebleven en het is mogelijk dat ze langer zijn gebleven.

Zoiets wordt bewezen met vondsten die lange tijd niet bestudeerd zijn geweest, maar ook de herinterpretatie van het schrijfplankje van Tolsum is hierbij relevant. Het suggereert Romeins gezag in het Friezenland in 29, één jaar nadat dat ten einde zou zijn gekomen. Terecht schrijft Van de Bunt dat het schrijfplankje vooral vragen oproept.

De DNA-revolutie

Een derde ontwikkeling: de DNA-revolutie. Door twee nieuwe technieken, het DNA- en het isotooponderzoek, wordt steeds duidelijker dat de mensen vroeger heel mobiel zijn geweest. Van de Bunt noemt dit onderzoek als het gaat om de genocide bij Kessel – opnieuw een kwestie waar discussie mogelijk is – en bij het Meisje van Egtved, dat in Denemarken overleed maar afkomstig bleek uit het Zwarte Woud.

Van de Bunt typeert deze mobiliteit als bijna hedendaags. Ik aarzel. Ik denk dat wij degenen zijn met de vaste woon- en verblijfplaatsen. De ouden waren vermoedelijk mobieler. Of Van de Bunt of ik gelijk krijg, zal de volgende estafetteloper zeggen.

Die zal ook heel anders kijken naar teksten. Waar mensen verhuizen, verhuizen hun ideeën en de DNA-revolutie zal vooral de bestudering van de antieke literatuur veranderen. Er behoren nieuwe hermeneutische strategieën te ontstaan, waarbij rekening wordt gehouden met literaire motieven uit een veel bredere wereld. Het zou zomaar kunnen dat deze of gene anekdote over de Germanen, die Van Es en Van Dockum/Van Ginkel en Bosman/Lendering en Van de Bunt nog accepteerden als feit, een literair motief zal blijken te zijn uit een deel van de antieke wereld waar we nu nog niet kijken. Ik verwacht veel van een diepere kennismaking met de Aramees.

De taalkunde

Een vierde ontwikkeling is de historische taalkunde. Begrijp ik het goed, dan is er een zekere herwaardering gaande van de Vlaamse naamkundige Marnix Gysseling – ik denk aan het recente boek van Van Loon, Lo, donk, horst – en er zijn al wat toepassingen voor Nederland in de Romeinse tijd.

Ik noem het Twentse plaatsje Saasveld, dat ooit de havezate Saterslo was en waar volgens Van Loon een heilig bos voor Saturnus is geweest. Dat illustreert eens te meer dat de Germaanse godsdienst geen eigen systeem was met eigen goden, maar een verzameling rituelen, waarin ook Romeinse goden konden worden opgenomen. Bedenk dat Tacitus meldt dat een van de Germaanse stammen Isis aanbidt. Dat valt te lezen als een interpretatio romana van een inheemse godin, maar waarom zou het niet kunnen zijn dat men werkelijk Isis heeft aanbeden? Ik sluit ook niet uit dat de nu nog gangbare uitleg van Romeinse godennamen (bijv. Hercules) als vertalingen van inheemse goden (in dit geval Magusanus) op de helling gaat en dat we over tien jaar zeggen dat Hercules ook door de Tubanten en Chamaven werd vereerd.

De ontmoeting van taalkunde en archeologie zou de komende tien jaren weleens de interessantste discussie kunnen zijn. Ik attendeerde al eens op de asymmetrie tussen de claim van Roymans dat er vanaf de late derde eeuw een groot bevolkingshiaat was in Romeins Nederland, waarna de Franken zich vestigden in deze contreien en de linguïstische landkaart vormden. Dit staat haaks op het proefschrift van Peter-Alexander Kerkhof, die toont dat in de vijfde eeuw n.Chr. nog Latijnsprekenden moeten hebben geleefd in het Nederlandse rivierengebied. Dit ligt buiten het bereik van Van de Bunts boek, dat zich beperkt tot de Vroeg-Romeinse tijd, maar ik noem dit omdat het zo duidelijk maakt waar de toekomstige discussies zullen zijn en ik ben blij dat Van de Bunt er hier en daar al aandacht aan besteedt.

Professionalisering

Nog een laatste punt. Wie de boeken van Van Dockum/Van Ginkel, Bosman/Lendering en Van de Bunt na elkaar leest, herkent de veranderende inzichten in wetenschapscommunicatie. Waar het eerste boek nog traditioneel populariseren was, zochten Bosman en ik naar wat meer verdieping en gaat Van de Bunt weer iets verder. Dat Kessel de plaats is waar Caesar de Usipeten en Tencteri heeft verslagen, wordt in Wee de overwonnenengepresenteerd als “een hypothese en een aanknopingspunt voor verder onderzoek”. Misschien is dat wat pleonastisch – alle wetenschap is immers een hypothese en een aanknopingspunt voor verder onderzoek – maar Van de Bunt doet wat van professionele wetenschapscommunicatie wordt verwacht: hij brengt de lezer in een gevoel van vertrouwelijkheid met het tastend zoeken dat wetenschap is.

Die laatste formulering, die ontleen ik aan de notulen van een vergadering die ik afgelopen vrijdagmorgen bijwoonde, kort voordat Van de Bunts boek in het Rijksmuseum van Oudheden werd aangeboden. We vergaderden over de Nationale Prijs voor het Beste Boek over Wetenschapscommunicatie, een onderscheiding die hopelijk vanaf 2021 elk jaar zal worden uitgereikt. is zo’n boek. Het is jammer dat die prijs er volgend jaar pas is, want wat mij betreft is Wee de overwonnenen een prima kandidaat.

[Afgelopen vrijdag sprak ik bij de presentatie van Wee de overwonnenen. Dit was ongeveer wat ik vertelde. Een echte recensie is het dus niet, maar ik heb naar eer en geweten geprobeerd het boek in de context van een immer ontwikkelend veld te plaatsen. Ik kan het boek oprecht bij u aanraden.]


Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: