Boekbespreking - "Het Lied van Orpheus"

Geplaatst op zondag 25 mei 2003 @ 17:22, 238 keer bekeken

Rudi van der Paardt schrijft al meer dan twintig jaar over antieke en klassieke motieven in de Nederlandse literatuur, en Orpheus is daarbij een van zijn geliefde figuren. Dat blijkt niet alleen uit zijn essays - zo schreef hij over Orpheus in 'Twee vrouwen' van Mulisch - maar ook uit een heuse Orpheus-site.

'Het lied van Orpheus' bestaat uit zes rubrieken, waarin Van der Paardt een dertigtal moderne Nederlandse teksten over Orpheus onderbrengt. Hij selecteerde zowel poezie - bijvoorbeeld van Der Mouw, Achterberg, Gerhardt, Lucebert, Otten en Puthaar - als proza. En in die laatste categorie zitten zowel verhalende teksten - van onder anderen Augusta de Wit, Willem Brakman, Louis Couperus, Helene Nolthenius, Jeroen Brouwers en Marnix Gijsen - als beschouwende, bijvoorbeeld van Mulisch, Ten Berge, Van der Paardt en Paul Claes.

Wie de namen bekijkt, moet vaststellen dat het om een erg heterogeen gezelschap gaat. En Van der Paardt doet geen moeite om verschillen of raakpunten aan te wijzen. Zolang het over Orpheus gaat, niet te lang is, en beantwoordt aan een niet nader toegelichte kwaliteitseis, is het goed.

'De antieke hellevaart in de Moderne Nederlandse literatuur', luidt de ondertitel van het boek. Dat lijkt lichtjes overdreven, want het gaat uitsluitend om de orfische reis, niet om de infernale tochten van Odysseus of Aeneas, die nochtans het model leverden voor de hellevaart à la Dante en via die omweg diepe sporen nalieten in de Nederlandse literatuur. De ondertitel schept echter verwachtingen die niet ingelost worden. Als je het zogenaamd hebt over de antieke hellevaart in de moderne Nederlandse literatuur en je hebt het niet over Vestdijks 'De kellner en de levenden', niet over zijn 'Meneer Visser's hellevaart', niet over Brakmans 'Inferno', niet over Van der Heijdens 'Het leven uit een dag', niet over Verhelsts 'Tongkat', dan mankeer je een aantal hellevaarten. Of beter: je hebt het alleen over de orfische variant. Dat geeft Van der Paardt trouwens indirect toe wanneer hij zegt dat hij 'De hondsdagen' van Claus niet in zijn bloemlezing heeft opgenomen: 'Naar mijn mening komt er weliswaar onderwereldsymboliek in deze roman voor, inclusief een Charon en vervaarlijke hellehonden, maar degeen die afdaalt en weer terugkeert is per se geen Orpheus.'

Een cruciaal kenmerk van de orfische reis, dat ontbreekt in de gewone hellevaart, is de tweede dood. Orpheus daalt af naar de onderwereld om zijn gestorven geliefde Eurydice weer naar het rijk der levenden te brengen. Dankzij zijn lyrische en muzikale talenten kan hij de goden vermurwen, maar net voor de twee geliefden de Hades verlaten, kijkt Orpheus achterom hoewel de goden hem dat verboden hadden. Hij ziet Eurydice, maar verliest haar meteen. Voor de tweede keer. En dit keer voorgoed.

Het weerzien als de tweede dood staat centraal in heel wat hedendaagse versies van de Orpheus-mythe. Het valt bijvoorbeeld aan te wijzen bij Matsier, hier vertegenwoordigd met een ikverhaal waarin Orpheus beschrijft hoe het omzien een moment van pure blijdschap combineert met een eeuwigheid van verdriet.

Het zit ook in het geselecteerde gedicht van Willem Jan Otten:
'Kijk achterom.
Er is een kennis
die bij daglicht niet
te achterhalen is.'


De mythe wordt hier haast filosofie, over de onherhaalbaarheid bij Matsier, over de onkenbaarheid van de andere wereld bij Otten. Of over wreedheid en schuld bij Nolthenius, die van Orpheus een beklaagde maakt die in zijn pleitrede voor de rechtbank zegt: 'Ik heb omgekeken omdat ik haar niet terug wilde hebben.'

De dodende blik van Orpheus is misschien nergens zo duidelijk aanwezig als in het werk van Jeroen Brouwers, hier vertegenwoordigd met een fragment uit 'De zondvloed' - een goed fragment, gekozen uit het hoofdstuk 'Orpheus', maar de cruciale passage stond al veel vroeger in de roman. Daarin maakt Brouwers duidelijk dat de blik van Orpheus voor hem de herinnering is.

Het verleden sterft een eerste keer in het voorbijgaan, een tweede keer in het weer oprakelen. 'Orpheus daalde in het schimmenrijk af om er de dood van zijn geliefde 'ongedaan' te maken, of 'nietgebeurd' te laten zijn. Toen hem dit was gelukt, had hij niet moeten 'omkijken', - wat volgens jou betekent: dat hij zich niet had moeten herinneren dat wat 'ongedaan' en 'nietgebeurd' was, wel was gedaan en gebeurd.'

Dergelijke hedendaagse transformaties van het blikthema bespreekt Van der Paardt niet, wat wel jammer is aangezien hij op die manier niet behandelt wat de titel van het boek nochtans suggereert, namelijk de hedendaagse aanpassing van de mythe.

'Het lied van Orpheus' is dan ook geen thematische studie, maar een bloemlezing. Slechts in de titels van de rubrieken kun je iets vermoeden van de thema's die met de mythe samenhangen: de reis ('Argonautentocht'), het onmogelijke verlangen ('Orpheus zonder Eurydice'), de dood ('Het eerste verlies'), de verstenende herinnering ('Het tweede verlies'), en de kunstzinnigheid ('Nachelben in Kunst & Literatuur'). De zesde rubriek is wat droger en heet gewoon 'Essays, commentaar'.
De verdeling van de teksten over de rubrieken is niet waterdicht, omdat heel wat verhalen en gedichten verschillende thema's tegelijkertijd behandelen. Zo staat het verhaal van Couperus in de afdeling 'Het tweede verlies' - het bevat zelfs een fraaie beschrijving van Orpheus' einde - maar het had ook gepast in de rubriek 'Het eerste verlies', want dat wordt ook beschreven.

Dat de indeling niet waterdicht is, geeft Van der Paardt zelf toe en is helemaal geen probleem. Maar Van der Paardt zegt dat hij de plaatsing van een tekst liet afhangen van 'de beoogde symmetrie van het boek', terwijl ik helemaal geen symmetrie zie in de rubrieken. Rubriek een is geen spiegel van zes, twee geen spiegel van vijf.


Blik op de historie

De korte inleiding beperkt zich tot een erg schetsmatige geschiedenis van de Orpheus-mythe, in een tiental stappen. In de eerste, Griekse, versies van de mythe is er geen plaats voor Euridyce en lijkt Orpheus een sjamaan die met succes een reis door de onderwereld maakt.
Bij Apollonius van Rhodos wordt Orpheus verbonden met de Argonauten, bij Phanocles met de homoseksuele liefde. Het bekende einde van Orpheus wordt hier geintroduceerd: omdat hij ontroostbaar is na Euridyce's tweede dood, versmaadt hij de vrouwen. Die doden hem en snijden zijn lichaam in stukken. Toch is het pas bij Vergilius dat de mythe de vorm krijgt die de meesten onder ons kennen. Daar wordt Euridyce door een slang gedood en wordt de tweede dood van Orpheus' geliefde in de verf gezet. Ovidius werkt dat uit in zijn 'Metamorfosen' en onderstreept daarbij de pedagogische en artistieke kwaliteiten van Orpheus.

Die kunstzinnige eigenschappen van Orpheus - hij kon de goden door zijn lyrische talenten overtuigen - verdwijnen naar de achtergrond in de laatantieke oudheid en in de Middeleeuwen, waar de moraliserende en religieuze aspecten op de voorgrond treden. Pas vanaf de Renaissance wordt het artistieke weer opgepikt, en het zal, onder meer via de opera en de film, een cruciaal thema blijven. Dat thema wordt wel degelijk besproken in het boek. Het duikt herhaaldelijk op in de laatste rubriek, die de essayistische stukken groepeert. Fresco ziet de Orpheus-figuur bij Der Mouw als een 'symbool voor de Brahmandichter zelf'; Claes wijst op de rol van de kunstenaar in Luceberts 'orfuis'; Van der Paardt en Herman onderzoeken de orfische aspecten in Hermans' kunstenaarsnovelle 'Geyerstein's dynamiek'. Er is ook een fragment van Mulisch, maar dat is te kort aangezien het de rol van Thoth verzwijgt.

Voor Mulisch is Orpheus een mislukkeling, die alleen beschikt over de mondelinge kunstvormen (poezie en zang), terwijl Thoth, als god van het schrift, net dankzij het schrift wel slaagt. Slechts wie kan schrijven, kan de schatten uit de onderwereld naar boven halen.

Een soortgelijk idee overvalt de lezer van dit boek. Het is slechts een begin, dat vraagt om meer schrijfwerk. Vanaf wanneer kun je een tekst interpreteren als een Orpheus-variant? Van der Paardt verwerpt 'De hondsdagen' omdat de onmiskenbare hellesymboliek niet gedragen wordt door een duidelijke Orpheus-figuur. Maar dat geldt nog veel sterker voor 'Geyerstein's dynamiek', waarin minder helse symbolen zitten en waarin helemaal geen sprake is van een ondubbelzinnige Orpheus. En toch doet Van der Paardt alsof die novelle wel een orfische tekst is. Om van het vrouwelijke personage Carolien een Orpheus te maken, moet hij helse toeren uithalen, zo bijvoorbeeld: 'De naam Carolien is afgeleid van Karel, dat 'kerel' betekent: zij heeft dus 'een man in zich', wat een indicatie lijkt van de Orpheus-rol die zij als vrouw vervult.' Dat is het soort van freewheeling dat heel wat mythologische lezingen zo ongenietbaar maakt. Met wat goede wil kun je natuurlijk overal Orpheus zien. Of Oedipus. Of twee keer niets. Zou je zo'n interpretatie wat overijverig kunnen noemen, dan is de overheersende indruk van dit boek dat het best wat meer ijver had kunnen verdragen, ook in de presentatie van de geselecteerde fragmenten. De fragmenten - vooral uit de romans - zijn meer dan eens moeilijk te begrijpen omdat je geen enkele context meegegeven krijgt. Een korte toelichting bij elke tekst was welkom geweest. Met een samenvatting van de inhoud en een toelichting over de rol van Orpheus in het betreffende werk had de lezer misschien toch al enig zicht gekregen op de betekenis van Orpheus in de moderne Nederlandse literatuur. Nu moet hij of zij het doen met een schets van een inleiding en met een verzameling fragmenten, het ene al wat beter dan het andere.

'Het lied van Orpheus'
De antieke hellevaart in de moderne Nederlandse literatuur.
Samenstelling en inleiding: Rudi van der Paardt.
2003, Amsterdam,
Bezige Bij, 176 blz.,
ISBN 90-234-1023-8.


Bron: Bart VERVAECK, 14-05-2003, De Financieel-Economische Tijd


Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: