Blogposts

Blog

Geplaatst op zaterdag 21 januari 2012 @ 11:55 door Calamandja , 754 keer bekeken

Een geschiedenis van de klass…

Moed kan de Groningse oudhistoricus E.Ch.L. van der Vliet niet worden ontzegd. In Een geschiedenis van de klassieke oudheid zet hij zich aan een onuitvoerbare taak: het bieden van een overzicht van de geschiedenis van de oude wereld tussen 1100 voor Christus en 580 na Christus. Dat onderwerp beslaat zeventien eeuwen (meer dan valt te overzien), speelt zich af in drie werelddelen (meer dan valt te bereizen), en veronderstelt kennis van archeologie, geschiedenis en een dozijn oude talen (meer dan valt te leren).

En verdraaid, het boek is onverwacht goed. Om uit te leggen hoe goed, en om aan te geven waarom het de lezer van deze boekenbijlage toch zou kunnen teleurstellen, zal ik de door de auteur te overwinnen problemen beschrijven. Die raken alle geesteswetenschappen en zijn serieus. Alle reden dus om extra ruimte te nemen en de problemen te illustreren aan de hand van een boek dat die extra ruimte ook waard is.

Ten eerste: het door Van der Vliet gekozen onderwerp is niet alleen uitgebreid, het is ook complex. Alles hangt met alles samen. Voor de Spaanse archeologische chronologie vormt bijvoorbeeld de aankomst, ergens in de zesde eeuw vC van Griekse kolonisten uit Klein-Azië een belangrijk ijkpunt, maar de datering is gebaseerd op een Griekse tekst, die gebeurtenissen met elkaar in verband brengt die worden gedateerd aan de hand van een beschadigd Babylonisch kleitablet. Over beide is wat te doen, zodat een Spaanse archeoloog ook de vakliteratuur over Griekenland en Babylonië zou moeten lezen. Dat gaat natuurlijk niet en zo leidt specialisme vrijwel onontkoombaar tot het doorgeven van achterhaalde informatie.

Door een handige onderwerpskeuze weet Van der Vliet (voor zover ik het complexe vakterrein overzie) deze valkuil meestal te vermijden. In elk geval legt hij de nadruk waar die volgens het huidige onderzoek hoort en niet waar die traditioneel ligt. Aan de Derde Heilige Oorlog (355-346 vC), een van de belangrijkste maar slechtst gedocumenteerde en daardoor meestal genegeerde conflicten uit de Griekse geschiedenis, geeft hij bijvoorbeeld veel ruimte, terwijl hij de Perzische Oorlogen behandelt zonder uit te weiden over de ooit gepostuleerde (en nog te vaak gerecyclede) ideeën over de wereldhistorische betekenis.

Toch maakt ook Van der Vliet onontkoombare vergissingen, bijvoorbeeld in zijn beschrijving van Frygië. Ergens anders dateert hij een koning, waarvan we al ruim 120 jaar de regeringsdata kennen, volgens 19de- eeuwse berekeningen. Zelfs voor een breed ingelezen auteur als Van der Vliet is de oudheidkunde te complex om nog te beoefenen zonder verouderde inzichten door te geven.

Dat leidt tot een tweede probleem: de feilen worden zichtbaar voor het grote publiek. Van der Vliet schrijft bijvoorbeeld ergens dat de Romeinen de Middellandse Zee vrij wilden houden van zeerovers, en daarom een vloot aanhielden in Ravenna. Men hoeft geen specialistische vooropleiding te hebben om te begrijpen waarom historici hiervan zijn teruggekomen: die uithoek van de Adriatische Zee ligt nogal ver van het veronderstelde oorlogsgebied (maar is perfect om troepenverplaatsingen mogelijk te maken). Een opmerkzame lezer kan dit herkennen en zal zich de vraag stellen wat je nog mag aannemen van een auteur die zich zo opvallend vergist. De onontkoombare maar zichtbare vergissingen doen zo – derde probleem – afbreuk aan het gezag van de geesteswetenschappen.

Dit geldt overigens niet alleen voor geesteswetenschappers en hun publiek, maar ook voor wetenschappers onderling. Het komt regelmatig voor dat onderzoekers van het ene vak de uitgangspunten van het andere ter discussie stellen. Waar oudheidkundigen hun studie wel eens rechtvaardigen met de claim dat de westerse cultuur zou zijn ontstaan in Griekenland, hebben sociale wetenschappers het bestaan van zulke eeuwenlange continuïteiten geproblematiseerd. Ook gangbare typeringen van de antieke samenlevingen, waarin het oude Nabije Oosten wordt gekarakteriseerd als religieus en Griekenland als oorsprong van de menselijke maat, zijn problematisch, en dit geldt eveneens voor de geforceerde vergelijkingen tussen toen en nu waarmee classici zo vaak naar buiten komen. Een van de kwaliteiten van Van der Vliet is dat hij nergens verder springt dan de sociaal-wetenschappelijke stok lang is.

Gegeven de aard van de problemen waarmee Van der Vliet te maken kreeg, is Een geschiedenis van de klassieke oudheid een inhoudelijk geslaagd boek. Ik zou echter onoprecht zijn en het vertrouwen van de lezer van deze krant beschamen, als ik het liet bij deze constatering. Het boek lijdt namelijk ook aan een handicap, waar Van der Vliet niets aan kan doen, maar die wel belangrijk is voor de krantenlezer die overweegt dit boek aan te schaffen.

Doordat er veel wordt geklaagd over de kwaliteit van ons onderwijs, wordt makkelijk over het hoofd gezien dat momenteel ongeveer een derde van de jonge mensen een hogere opleiding volgt. Potentieel geïnteresseerde lezers zijn zowel laag- als hoogopgeleid en de overdracht van wetenschappelijke kennis is meer dan ooit een soort tweetrapsraket: enerzijds een laag niveau, waar de wetenschapper op de hurken gaat zitten om mensen te enthousiasmeren, anderzijds een hoger niveau waar de wetenschapper het publiek naar boven leidt en toont hoe onderzoek in zijn werk gaat. Dit tweede niveau – zeg maar dat van de lezers van deze krant – wordt traditioneel stiefmoederlijk bedeeld en het is alleen al om die reden prettig dat Van der Vliet schrijft voor ‘studenten en oud-studenten, historici, classici en andere belangstellenden’.

Toch moet ik hier een kritische noot kraken: Een geschiedenis van de klassieke oudheid biedt de gekozen doelgroep niet genoeg. Hoe goed het inhoudelijk ook is, het boek laat de lezer niet delen in het eigenlijke onderzoeksavontuur, want er is geen annotatie. Het bedient de lezers niet die de antieke bronnen in de kast hebben staan, al dan niet in een van de talloze, mooie en veel gelezen vertalingen waaraan ons taalgebied zo rijk is.

Menig student, oud-student, historicus of classicus zou er plezier aan hebben beleefd mee te worden genomen op de tocht van bronnen en vondsten via generalisaties en vergelijkingen naar conclusies. Hoe ga je om met de bronnen over het visioen van keizer Constantijn, waarvan de oudste een verschijning van de zonnegod en Victoria beschrijft, en alle andere een lichtend kruis? Waarom hechten oudhistorici, als Griekse auteurs een koninkrijk der Meden beschrijven waarvoor archeologen geen aanwijzingen vinden, meer waarde aan het archeologische materiaal dan aan de geschreven bronnen? En waarom maken oudhistorici de tegengestelde keuze, en geloven ze Caesar als deze schrijft dat hij de Belgen heeft onderworpen, terwijl ook op dit punt het archeologische materiaal de bron tegenspreekt? Door welke etnografische vergelijkingen komen we ertoe Homeros’ poëzie te typeren als mondelinge improvisatie?

De speurtocht en de aha-erlebnis van de ontdekking zijn voor veel lezers even belangrijk als de conclusies. Ik vermoed daarom dat menig lezer van deze Boekenbijlage Een geschiedenis van de klassieke oudheid met belangstelling en vrucht zullen lezen, maar het uiteindelijk wat onbevredigend vinden.

Dit boek is niet het enige dat het eigenlijke onderzoek niet presenteert. Er zit een bepaalde, inmiddels gekritiseerde visie achter op wetenschappelijke informatieoverdracht, die door het hoofd communicatie van het UvA Science Park eens sarcastisch werd vergeleken met de Rijdende Rechter: ‘dit zijn de feiten en daarmee moet u het doen’. Die hoon is terecht, want in feite laten wetenschappers degenen in de steek die wérkelijk belangstelling tonen.

Deze onderschatting van mensen met een HBO- of universitaire opleiding is des te misplaatster omdat zij vergissingen herkennen. Het onvermijdelijke gevolg is het vierde en ernstigste probleem dat ik wil noemen: de groei van een groep hoogopgeleide, mediavaardige en felle critici, die niet langer willen geloven dat wetenschappers nog competent zijn. Deze wetenschapssceptici slaan weliswaar te ver door in hun kritiek, maar hun wantrouwen is een serieuze kwestie, die de universiteiten voor een belangrijk deel aan zichzelf hebben te danken: deels door ontoereikende informatieoverdracht, deels doordat ze grote aantallen studenten hebben geleerd kritisch na te denken. Ook over de universiteit.

Gelukkig zijn de problemen oplosbaar en Van der Vliet geeft een voorzet door een inhoudelijk adequaat boek te schrijven voor een publiek van HBO-ers en academici. Ik denk echter dat er meer moet gebeuren. Boeken als Een geschiedenis van de klassieke oudheid zouden moeten worden geschreven door een breed samengesteld team. Zo verklein je de kans op vermijdbare, zichtbare vergissingen en herstel je het wetenschappelijk gezag, zeker als de lezer ook verneemt hoe onderzoekers van data tot conclusies komen.

Een ander aspect van zo’n boek is adequate annotatie, die de lezer in staat stelt de bronnen erop na te slaan en dubbel te genieten. Een geannoteerde Een geschiedenis van de klassieke oudheid zou hoogstens 5% dikker zijn geworden en minstens 50% meer plezier hebben opgeleverd.

De echte vraag is waarom zo’n boek almaar niet wordt geschreven. Een deel van de verklaring is dat wetenschappers worden afgerekend op de lengte van hun publicatielijst, waarbij niet meetelt wat ze schrijven voor het grote publiek. Het huidige financieringsmodel ontmoedigt dus de informatieoverdracht aan de burger, die hierop inmiddels antwoordt met wantrouwen.

Uiteraard is Van der Vliet niet verantwoordelijk voor de catastrofale wijze waarop de wetenschapsfinanciering onze kennisinfrastructuur vernietigt. Integendeel, hij heeft gedaan wat mogelijk was. Gegeven de aard van de problemen is dat onvoldoende, maar het leverde in elk geval een boek op dat door de ambitieuze breedte, het achterwege laten van geforceerde actualiseringen en een bovengemiddelde accuratesse, een belofte inhoudt van wat we mogen verwachten: als in de geesteswetenschappen ooit, op een mooie dag, opnieuw centraal komt te staan dat de samenleving adequaat moet worden geïnformeerd.

Bron: Jona Lendering, NRC Handelsblad, 13 januari 2011.



Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst.

Plaats een reactie

Je moet ingelogd zijn om een reactie te mogen plaatsen. Klik hier om in te loggen.